Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7452Zaaknummer 12320547 \ MC EXPL 26-4063 JD/51246

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
12320547 \ MC EXPL 26-4063 JD/51246
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aannemer moet herstelkosten voor afronding en herstel schilder- en stucwerk vergoeden. Geen onverschuldigde betaling. Vaste prijsafspraak is niet gewijzigd naar regiebasis.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1

verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst;

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:

I. € 12.602,90 aan herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 7 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;

II. € 635,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 7 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.206,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;

4.4

veroordeelt [gedaagde] om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten te betalen als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

4.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af;

in voorwaardelijke reconventie

4.7

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

4.8

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.154,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;

4.9

verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.8 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

Zaaknummer: 12320547 \ MC EXPL 26-4063 JD/51246

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

wonend in [woonplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. G.R. Ruizendaal,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde],

gevestigd in [vestigingsplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2026 met 28 producties;

- de conclusie van antwoord met (voorwaardelijke) eis in reconventie met 4 producties;

- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026.

1.2

Tijdens de zitting op 18 augustus 2026 was [eiser] aanwezig, samen met haar echtgenoot de heer [A]. [eiser] werd bijgestaan door mr. Ruizendaal. Namens [gedaagde] is de heer [eigenaar], eigenaar, naar de zitting gekomen. Hij werd bijgestaan door mr. Giltay Veth. Aan de zijde van [gedaagde] was ook de heer [B] (hierna: [B]) aanwezig. Hij werkte als bouwkundige. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.

1.3

Tijdens de zitting is ook de zaak met zaaknummer 12051571 \ MC EXPL 26-141 tussen (de eenmanszaak van) [eigenaar] en [eiser] inhoudelijk behandeld. Volgens partijen is het hun bedoeling dat de processtukken in die zaak in de beoordeling van deze zaak worden meegenomen. De kantonrechter zal daarom de volgende processtukken bij de beoordeling betrekken:

- de dagvaarding van [eigenaar] van 23 december 2025 met 10 producties;- de conclusie van antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie van [eiser] met 8 producties;

- de akte aanvulling grondslag eis van [eigenaar];

- de aanvullende producties 9 en 10 van [eiser];

- de aanvullende productie 11 van [eigenaar].

1.4

De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.

2 De kern van de zaak

2.1

[gedaagde] heeft in en aan de buitenkant van de woning van [eiser] stuc- en schilderwerk en andere werkzaamheden uitgevoerd. Het schilderwerk aan de binnenkant van de woning is niet af en het stucwerk is gebrekkig. Daarnaast heeft [gedaagde] [eiser] niet gewaarschuwd voor het verhoogde risico op ernstige scheurvorming in het stucwerk in de woning. Daarom moet [gedaagde] [eiser] in totaal € 12.602,90 aan herstelkosten betalen. [gedaagde] moet [eiser] ook € 635,50 terugbetalen, omdat [eiser] dit bedrag te veel heeft betaald. De kantonrechter wijst de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] van € 21.938,95 met rente en kosten af.

3 De beoordeling

in conventie

[eiser] heeft voor de werkzaamheden in de woning een aannemingsovereenkomst met [gedaagde]

3.1

In conventie gaat het vooral over de schilder- en stucwerkzaamheden aan de binnenkant van de woning. Voor die werkzaamheden heeft [eiser] een aannemingsovereenkomst gesloten met [gedaagde]. [eiser] heeft namelijk op 5 februari 2024 offertes van [gedaagde] ontvangen, die zij vervolgens op 7 februari 2024 heeft ondertekend.

Het juridisch kader: wanneer is een aannemer aansprakelijk voor herstelkosten?

3.2

[eiser] vordert allereerst een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Voor een tekortkoming door [gedaagde] is allereerst vereist dat zij haar verplichtingen als aannemer niet volledig of niet goed is nagekomen. Daarnaast is in principe vereist dat [gedaagde] met de nakoming van die verplichtingen in verzuim is geraakt. Van verzuim is sprake als [eiser] [gedaagde] de gelegenheid heeft gegeven om (gebreken in) het werk binnen een redelijke termijn af te maken of te herstellen en [gedaagde] dat weigert of de termijn ongebruikt laat. [gedaagde] kan ook op andere manieren in verzuim raken, maar het is voor deze zaak niet nodig om die andere manieren te bespreken. Verzuim is niet vereist als nakoming van de verplichtingen blijvend of tijdelijk onmogelijk is.

3.3

Naast de verklaring voor recht vordert [eiser] € 12.602,90 aan schadevergoeding. Als [gedaagde] tekort is geschoten, is zij in principe verplicht om de schade te vergoeden die [eiser] door de tekortkoming lijdt. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee typen schade: vervangende schade en gevolgschade. Onder vervangende schade vallen de kosten die [eiser] moet maken om de oorspronkelijke werkzaamheden alsnog (goed) te laten uitvoeren door derden. Onder gevolgschade vallen de indirecte kosten, die een gevolg zijn van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Een voorbeeld van gevolgschade zijn de kosten die [eiser] moet maken doordat [gedaagde] haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Bij gevolgschade kan [gedaagde] de overeenkomst niet meer nakomen zonder de schade te veroorzaken. Nakoming is wat dat betreft blijvend onmogelijk. Verzuim is dan ook niet vereist. Dat staat in artikel 6:74 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De schilderwerkzaamheden zijn niet af en het stucwerk is gebrekkig

3.4

[gedaagde] is verplicht om de afgesproken werkzaamheden volledig uit te voeren en af te ronden. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] die verplichting niet is nagekomen. Het schilderwerk van de plafonds op de eerste verdieping en het trapgat is namelijk niet af.

3.5

[gedaagde] is ook verplicht om haar werkzaamheden goed uit te voeren. Zij mag geen gebrekkig werk leveren. Als er toch een gebrek is, moet [gedaagde] dat gebrek herstellen. De kantonrechter vindt dat [gedaagde] die verplichtingen heeft geschonden. Het stucwerk is namelijk gebrekkig. Dat blijkt uit een deskundigenrapport van [deskundige] (hierna: [deskundige]) dat [eiser] heeft ingediend. De deskundige van [deskundige] is op 5 maart 2026 in de woning geweest om het werk van [gedaagde] te inspecteren. [eigenaar] was namens [gedaagde] bij die inspectie aanwezig, samen met [B]. Op 28 april 2026 heeft [deskundige] haar deskundigenrapport uitgebracht. In dat rapport schrijft zij dat er op meerdere plaatsen in de woning onregelmatigheden en onrustige oppervlakken in het stucwerk zichtbaar zijn, namelijk: lichte golvingen, aanzetten en sporen die tijdens het afwerken van het stucwerk met gereedschap zijn gemaakt om het oppervlak glad te trekken. Bij het rapport zitten ook foto’s waarop de onregelmatigheden te zien zijn. Volgens [gedaagde] is het rapport van [deskundige] niet representatief, omdat de deskundige tijdens de inspectie met een felle hallogeenlamp (strijklicht) op zoek is gegaan naar onregelmatige plekken in het stucwerk en dit niet de juiste beoordelingsmethode is. Dit verweer kan [gedaagde] niet helpen. In het rapport van [deskundige] staat dat zij voor de feitelijke beoordeling van de kwaliteit van het stucwerk geen gebruik heeft gemaakt van strijklicht en dat de beoordeling heeft plaatsgevonden op normale kijkafstand, waarbij steeds enige afstand tot de wand of het plafond is aangehouden om een reguliere visuele beoordeling uit te voeren. Volgens [deskundige] heeft zij alleen strijklicht gebruikt om bepaalde situaties fotografisch vast te leggen. Dat [deskundige] tijdens de inspectie niet de juiste beoordelingscriteria heeft gebruikt, is dan ook niet gebleken. [deskundige] komt in haar rapport tot de conclusie dat het visuele eindresultaat van het stucwerk niet overal het niveau bereikt dat bij goed en zorgvuldig uitgevoerd stukadoorswerk mag worden verwacht. De kantonrechter twijfelt niet aan die conclusie. [deskundige] is een onafhankelijke deskundige. Zij is in haar rapport niet alleen kritisch op [gedaagde], maar heeft ook de klachten van [eiser] kritisch beoordeeld. Bij een deel van die klachten heeft [deskundige] geconcludeerd dat het werk van [gedaagde] voldoet aan de geldende kwaliteitseisen en uitvoeringsnormen. Het rapport van [deskundige] is dus objectief. [gedaagde] heeft weliswaar een rapport van [B] ingediend waarin staat dat er geen tekortkomingen in het stucwerk zijn, maar de kantonrechter vindt dat rapport niet voldoende om de conclusie van [deskundige] in twijfel te trekken. Tijdens de zitting is gebleken dat [B] een bekende van [eigenaar], de bestuurder van [gedaagde], is uit het verleden. Volgens [eigenaar] heeft hij veel projecten gedaan voor het bedrijf waar [B] tot aan zijn pensioen werkte. Daarnaast heeft [eiser] tijdens de zitting aangegeven dat [B] tijdens de inspectie werd geïntroduceerd als kennis van [eigenaar]. Volgens [eiser] wisten zij en [deskundige] niet dat [B] in het verleden bouwkundige is geweest en kwam het rapport van [B] tijdens deze procedure voor haar uit het niets. Daarmee lijkt het er niet op dat [B] een onafhankelijke en objectieve deskundige is.

3.6

De kantonrechter komt tot de conclusie dat het stucwerk in de woning onregelmatigheden en onrustige oppervlakken bevat en daarom gebrekkig is. [gedaagde] heeft de gebreken niet hersteld. Dat betekent dat [gedaagde] haar verplichtingen niet goed is nagekomen.

[gedaagde] is in verzuim met het afronden van het schilderwerk en het herstellen van het stucwerk

3.7

[eiser] heeft [gedaagde] meerdere kansen gegeven om het schilderwerk alsnog af te ronden en om het stucwerk te herstellen. Zij heeft [gedaagde] hiervoor meerdere ingebrekestellingen gestuurd. Een ingebrekestelling is een schriftelijke aanmaning waarin [gedaagde] een redelijke termijn wordt gegeven om haar verplichtingen alsnog volledig en goed na te komen. De eerste ingebrekestelling is van 20 juni 2025. In deze brief sommeert [eiser] [gedaagde] om binnen vijf werkdagen onder andere de werkzaamheden aan de trap en het plafond af te ronden en om oneffenheden, de slechte afwerking en zichtbare aanzetten in het stucwerk te herstellen. Op deze ingebrekestelling heeft [gedaagde] niet gereageerd. Zij voert aan dat de termijn van vijf werkdagen geen redelijke termijn is, maar dit kan [gedaagde] niet helpen. Op 5 augustus 2025 is er namelijk nog een ingebrekestelling naar [gedaagde] gestuurd. In die ingebrekestelling wordt [gedaagde] gesommeerd om het schilderwerk aan de trap, de traphal, de bijbehorende muren en de plafonds af te ronden en om de geconstateerde gebreken (waaronder ernstige oneffenheden in het stucwerk) te herstellen. De termijn in deze ingebrekestelling is vijftien dagen vanaf 21 augustus 2025. Die termijn is redelijk. [gedaagde] heeft het schilderwerk en het stucwerk niet binnen de gegeven termijn afgerond en hersteld. Dat betekent in principe dat [gedaagde] in verzuim is geraakt.

3.8

[gedaagde] voert aan dat zij het schilder- en herstelwerk niet wilde uitvoeren, omdat [eiser] eerst nog € 10.302,44 voor de buitenstucwerkzaamheden en de kosten van een gehuurde steiger moest betalen. Met dit verweer doet [gedaagde] een beroep op opschorting vanwege schuldeisersverzuim aan de kant van [eiser]. Als [eiser] haar betalingsverplichting niet goed is nagekomen en daardoor in schuldeisersverzuim was op het moment van de ingebrekestellingen, leiden die ingebrekestellingen niet tot verzuim van [gedaagde]. Van die situatie is hier geen sprake. [eiser] is niet in schuldeisersverzuim geraakt. Zij is haar betalingsverplichtingen steeds goed nagekomen. [gedaagde] eiste op 16 juni 2025 tegen de afspraken in een extra bedrag van € 10.302,44 voor de buitenstucwerkzaamheden en een vergoeding voor de kosten voor de steiger die zij voor dat werk heeft gehuurd. Dat was niet terecht: [eiser] hoeft de opgeëiste bedragen niet aan [gedaagde] te betalen. De kantonrechter legt dat oordeel verderop in het vonnis uitgebreid uit, omdat de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] over het extra gefactureerde bedrag voor het buitenstucwerk en over de kosten voor de gehuurde steiger gaat. De beoordeling staat in de rechtsoverwegingen 3.28 tot en met 3.34.

[gedaagde] heeft haar waarschuwingsplicht geschonden

3.9

De kantonrechter vindt dat [gedaagde] nog een andere verplichting heeft geschonden. [gedaagde] had [eiser] namelijk moeten waarschuwen voor het verhoogde risico op scheurvorming in het stucwerk in de woning en dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.

3.10

[deskundige] schrijft in haar rapport dat er in bijna alle ruimten in de woning sprake is van scheurvorming in het stucwerk. De scheuren variëren van fijne haarscheuren tot meer uitgesproken scheuren en bevinden zich met name in de hoeken van wand- en plafondaansluitingen, bij toegepaste stucstops en bij aansluitingen van kozijnen en aftimmeringen. Daarnaast schrijft [deskundige] dat er op meerdere plaatsen stucwerk bij de gipsplaatschroeven is losgekomen. Daardoor zijn de gipsplaatschroeven door het stucwerk heen te zien. De problemen zijn ook zichtbaar op de foto’s die bij het rapport zitten. Volgens [deskundige] worden de problemen (waarschijnlijk) veroorzaakt door de onderliggende houten constructie van de woning en door de aansluitende houten bouwdelen, omdat het hout onder invloed van belasting en temperatuur- en vochtverschillen kan werken. [eiser] stelt de oorzaak van de scheuren en het losgekomen stucwerk in deze procedure niet ter discussie. Zij vindt dat [gedaagde] haar vóór het sluiten van de overeenkomst voor het verhoogde risico op scheurvorming in het stucwerk had moeten waarschuwen.

3.11

De kantonrechter vindt dat [gedaagde] haar waarschuwingsverplichting heeft geschonden. [gedaagde] is verplicht om [eiser] bij het aangaan of het uitvoeren van de overeenkomst (schriftelijk) te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht en voor gebreken en ongeschiktheid van zaken die afkomstig zijn van [eiser]. Deze waarschuwingsplicht geldt alleen als [gedaagde] de onjuistheden, gebreken en ongeschiktheid kende of had moeten kennen (artikel 7:754 BW).

3.12

[gedaagde] heeft [eiser] er vóór het sluiten van de aannemingsovereenkomst niet op gewezen dat er door de (nieuwe) houten constructie een grotere kans was op ernstige scheurvorming in het stucwerk dan normaal gesproken het geval is. Volgens [gedaagde] blijkt die waarschuwing uit een exoneratiebeding in haar offerte, maar de kantonrechter volgt dit standpunt niet. In het exoneratiebeding staat dat constructiescheurvorming en krimp niet onder de garantie van [gedaagde] valt. Uit die algemene opmerking volgt nog niet dat er in de woning van [eiser] een groter risico op ernstige scheuren zou zijn. [eiser] heeft dat niet uit het algemeen geformuleerde beding hoeven begrijpen. [gedaagde] had [eiser] expliciet op het verhoogde risico moeten wijzen. Zij wist vóór het uitbrengen van de offerte al dat de woning een volledig houten constructie heeft. [eigenaar] is namelijk op 22 januari 2024 bij de woning langsgegaan om verschillende metingen te verrichten. Volgens [gedaagde] kan haar desondanks niets worden verweten, omdat dit haar eerste opdracht in een woning met een houten skeletbouw was en zij niet van het verhoogde risico op de hoogte was. Ook dit standpunt kan [gedaagde] niet helpen. Zij had als professioneel stukadoorsbedrijf van het grotere risico op de hoogte moeten zijn. Dat geldt al helemaal omdat [gedaagde] zelf zegt dat de informatie over het verhoogde risico kenbaar is uit algemeen beschikbare bouwkundige kennis. Volgens [gedaagde] had [eiser] daarom zelf van het risico kunnen weten. Dat standpunt is tegenstrijdig en gaat bovendien niet op. [eiser] heeft bij het sluiten van de overeenkomst gehandeld als consument. Van een gemiddelde consument kan niet worden verwacht dat zij bouwtechnische kennis heeft en de gevolgen van het type constructie voor de kwaliteit van het stucwerk begrijpt. [gedaagde] voert tot slot aan dat [eiser] geen gemiddelde consument is, omdat zij een bedrijf heeft dat zich bezighoudt met houten constructies van woningen. Ook dit standpunt kan [gedaagde] niet helpen. Als [eiser] al deskundig zou zijn (wat [eiser] ontkent en wat de kantonrechter niet is gebleken), ontslaat dit [gedaagde] niet van haar verplichting om [eiser] te waarschuwen. Dat is vaste rechtspraak.

[gedaagde] kan haar waarschuwingsplicht achteraf niet alsnog goed nakomen, dus is verzuim niet vereist

3.13

[gedaagde] had [eiser] vóór of bij het aangaan van de overeenkomst moeten waarschuwen. Die verplichting kan [gedaagde] nu achteraf niet alsnog goed nakomen. Daarvoor is het te laat. Nakoming van de waarschuwingsverplichting is dus blijvend onmogelijk. Verzuim is daarom niet vereist voor een tekortkoming door [gedaagde].

[gedaagde] is tekortgeschoten en is schadeplichtig

3.14

Omdat [gedaagde] haar verplichtingen heeft geschonden en in verzuim is geraakt voor wat betreft het schilder- en stucwerk, is zij tekortgeschoten. Daarom wijst de kantonrechter de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht toe.

3.15

Door de tekortkomingen is [gedaagde] in ieder geval aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt doordat het schilderwerk niet is afgerond en doordat de gebreken in het stucwerk niet zijn hersteld. Partijen hebben discussie over de vraag of [eiser] [gedaagde] ook mag aanspreken voor de schade die zij lijdt doordat [gedaagde] haar niet gewaarschuwd heeft voor het verhoogde risico op scheurvorming in het stucwerk. [gedaagde] beroept zich namelijk op het exoneratiebeding in haar offerte. Volgens [eiser] dekt dit beding niet ook de schade die zij lijdt door de schending van de waarschuwingsplicht. Daarnaast stelt [eiser] zich op het standpunt dat het beding onredelijk bezwarend is.

3.16

De kantonrechter laat de discussie tussen partijen over de uitleg en de reikwijdte van het exoneratiebeding in het midden. Het beding is namelijk hoe dan ook oneerlijk. Op grond van artikel 6:237 aanhef en onder f BW wordt een exoneratiebeding zoals dit vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Door dit wettelijke vermoeden lag het op de weg van [gedaagde] om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat toepassing van het beding en de gevolgen daarvan in dit geval wel degelijk gerechtvaardigd zijn. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Daarmee staat vast dat het beding onredelijk bezwarend is. Dat heeft tot gevolg dat de kantonrechter het exoneratiebeding vernietigt. [gedaagde] kan zich daarom niet op dit beding beroepen.

[gedaagde] moet € 12.602,90 aan herstelkosten aan [eiser] vergoeden

3.17

[eiser] wil het schilderwerk laten afronden door een ander bedrijf. Zij eist dat [gedaagde] haar hiervoor een schadevergoeding van € 5.463,90 moet betalen. Om dit bedrag te onderbouwen heeft [eiser] een offerte van Clark Aannemingsbedrijf van € 5.463,90 exclusief btw ingediend. [gedaagde] heeft het aantal vierkante meters in de offerte tijdens de zitting in algemene zin tegensproken, maar een algemene betwisting is niet voldoende. [gedaagde] had concreet moeten aangeven wat er in de offerte niet klopt en waarom dat zo is. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter stelt daarom vast dat de schade van [eiser] € 5.463,90 bedraagt. [eiser] had deze kosten niet hoeven maken als [gedaagde] het schilderwerk had afgerond. Er is dus een causaal verband tussen de tekortkoming van [gedaagde] en de schade van [eiser]. Daarmee is aan alle vereisten voor vervangende schadevergoeding voldaan. Dat betekent dat [gedaagde] de herstelkosten van € 5.463,90 exclusief btw aan [eiser] moet vergoeden.

3.18

[eiser] wil de gebreken en de scheuren in het stucwerk ook door een ander bedrijf laten herstellen en vordert hiervoor een schadevergoeding van € 7.139,-. Om dit bedrag te onderbouwen heeft [eiser] een offerte van RSLAN Bouwbedrijf van € 7.139,- inclusief btw ingediend. Ook deze offerte heeft [gedaagde] alleen in algemene zin betwist. De kantonrechter stelt dan ook vast dat de schade van [eiser] € 7.139,- is. [eiser] had deze kosten niet hoeven maken als [gedaagde] haar herstelverplichting en haar waarschuwingsverplichting goed was nagekomen. [eiser] heeft uitgelegd dat zij een andere afwerking (bijvoorbeeld behang) had gekozen als [gedaagde] haar vóór het sluiten van de overeenkomst voor het verhoogde risico op scheurvorming in het stucwerk gewaarschuwd had. Daarmee is er een causaal verband tussen de tekortkomingen van [gedaagde] en de schade van [eiser]. Aan alle vereisten voor vervangende schadevergoeding (de herstelkosten voor de gebreken in het stucwerk) en vergoeding van gevolgschade (de herstelkosten voor de scheuren in het stucwerk) is voldaan. [gedaagde] moet daarom het bedrag van € 7.139,- inclusief btw aan [eiser] vergoeden. In totaal wijst de kantonrechter een bedrag van € 12.602,90 aan herstelkosten toe.

[gedaagde] moet € 635,50 aan [eiser] terugbetalen

3.19

[eiser] eist dat [gedaagde] haar € 11.973,63 moet betalen. Volgens [eiser] heeft zij dit bedrag onverschuldigd betaald. Het bedrag bestaat uit:

  • € 635,50 voor allerlei werkzaamheden in, aan en rondom de woning;
  • € 4.451,67 aan materiaal voor stucwerkzaamheden;
  • € 6.886,46 aan materiaal voor stucwerkzaamheden.

De kantonrechter bespreekt deze onderdelen hierna.

3.20

[eiser] heeft in haar dagvaarding op een rij gezet welke werkzaamheden zij met [gedaagde] is overeengekomen. In deze opsomming staan ook stucwerkzaamheden aan de buitenzijde van de woning. [gedaagde] voert aan dat [eiser] deze werkzaamheden met (de eenmanszaak van) [eigenaar] is overeengekomen. Dit verweer gaat niet op. Ook voor de buitenstucwerkzaamheden heeft [eiser] op 5 februari 2024 een offerte ontvangen. Tijdens de zitting heeft [eigenaar] bevestigd dat deze offerte door [gedaagde] is opgesteld en verstuurd. [eiser] heeft de offerte ondertekend. Daarmee heeft zij voor de stucwerkzaamheden aan de buitenkant van de woning een overeenkomst gesloten met [gedaagde]. [gedaagde] voert aan dat [eigenaar] later de contractspartij voor die stucwerkzaamheden is geworden, omdat hij het werk uiteindelijk vanuit zijn eenmanszaak en niet vanuit [gedaagde] heeft uitgevoerd. Daarnaast heeft [eigenaar] tijdens de zitting aangegeven dat hij de facturen voor (de materialen voor) de buitenstucwerkzaamheden vanuit zijn eenmanszaak heeft verstuurd omdat dat belastingtechnisch beter voor hem is. Deze stellingen kunnen [gedaagde] niet helpen. [gedaagde] kan niet zelf beslissen dat [eigenaar] in haar plaats de contractspartij van [eiser] wordt. Daar is instemming van [eiser] voor nodig. Die instemming is er niet. [gedaagde] is dus nog steeds de contractspartij van [eiser].

3.21

[eiser] heeft in haar dagvaarding uiteengezet welke prijs zij voor welke werkzaamheden met [gedaagde] heeft afgesproken. In totaal gaat het om € 79.794,50. Volgens [eiser] heeft zij in totaal € 80.430,- aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] heeft dit niet tegengesproken. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [eiser] € 635,50 te veel heeft betaald. [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiser] terugbetalen.

3.22

[gedaagde] hoeft de materiaalkosten van € 4.451,67 en € 6.886,46 niet aan [eiser] te betalen. Het is de kantonrechter namelijk niet gebleken dat [eiser] degene is geweest die deze kosten heeft betaald. [eiser] heeft twee orderbevestigingen en een betaalbewijs van de materiaalbestellingen ingediend, maar die stukken kunnen haar niet helpen. De ene orderbevestiging staat namelijk op naam van het bedrijf [bedrijf] en de andere bevestiging staat op naam van “[naam]”. Ook het betaalbewijs staat op naam van [bedrijf] [eiser] zegt dat zij de materiaalkosten van haar privérekening naar de betaalrekening van [bedrijf] heeft overgeboekt, maar dat heeft zij niet onderbouwd. [eiser] had betaalbewijzen van die overschrijvingen kunnen en moeten indienen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De kantonrechter wijst de gevorderde bedragen van € 4.451,67 en € 6.886,46 daarom af.

[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen

3.23

[eiser] eist dat [gedaagde] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW moet betalen vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag waarop de verschuldigde bedragen volledig zijn betaald. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen vanaf de dag dat zij met betaling van de toewijsbare hoofdsommen in verzuim is geraakt. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] al vanaf 26 juni 2025 met betaling van de hoofdsommen in verzuim zou zijn. Daarom wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf de dag van de dagvaarding (7 juli 2026). Vanaf die dag is [gedaagde] in ieder geval met verzuim.

[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.24

[eiser] vordert dat [gedaagde] haar € 672,78 aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Deze vordering heeft betrekking op situaties waarvoor verschillende regels gelden. De kantonrechter zal de vordering beoordelen aan de hand van de regels die gelden voor de gevorderde schadevergoeding, omdat dit het grootste deel van de vordering is. De vordering wordt – mede gelet op de aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – afgewezen. [eiser] heeft namelijk niet gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Het is de kantonrechter ook niet gebleken dat [eiser] [gedaagde] heeft aangeschreven of heeft gesommeerd om de schadevergoeding aan haar te betalen. [eiser] heeft weliswaar ingebrekestellingen ingediend, maar in die brieven sommeert zij [gedaagde] alleen om het werk af te maken en te herstellen. De kosten voor die ingebrekestellingen zien dus niet op het innen van de schadevergoeding.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.25

[gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€155,66
- griffierecht€753,00
- salaris gemachtigde€1.154,00(2 punten × € 577,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€2.206,66
3.26

De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.

in voorwaardelijke reconventie

De kantonrechter zal de tegenvorderingen van [gedaagde] behandelen

3.27

[gedaagde] heeft tegenvorderingen ingesteld voor het geval de kantonrechter beslist dat zij de contractspartij is bij de overeenkomst voor de stucwerkzaamheden aan de buitenzijde van de woning. Die voorwaarde is ingetreden (zie rechtsoverweging 3.20). De kantonrechter zal de tegenvorderingen van [gedaagde] daarom beoordelen.

[eiser] hoeft niets extra’s voor (het materiaal voor) de buitenstucwerkzaamheden te betalen

3.28

[gedaagde] eist in de eerste plaats (primair) dat [eiser] € 15.195,95 inclusief btw aan haar moet betalen. [gedaagde] heeft dit bedrag op 16 juni 2025 bij [eiser] in rekening gebracht. De factuur is gebaseerd op:

  • € 16.200,- voor de buitenstucwerkzaamheden (360 arbeidsuren x € 45,- per uur);
  • € 7.102,44 aan stucmateriaal;
  • een voorschot van € 13.000,- dat op het totaalbedrag in mindering is gebracht;
  • € 5.365,50 aan btw.

[eiser] vindt dat zij de factuur niet hoeft te betalen. Zij zegt dat zij voor de buitenstucwerkzaamheden een vaste prijs inclusief materiaal met [gedaagde] heeft afgesproken en dat zij het afgesproken bedrag al volledig aan [gedaagde] heeft betaald.

3.29

De kantonrechter is het met [eiser] eens dat partijen voor de stucwerkzaamheden aan de buitenzijde van de woning een vaste prijs inclusief materiaal zijn overeengekomen. [gedaagde] noemt in de offerte van 5 februari 2024 een bedrag van € 15.142,44 inclusief btw voor de buitenstucwerkzaamheden. Dit bedrag is gebaseerd op 278,10 m² en een tarief van € 45,- exclusief btw per vierkante meter. De offerte gaat dus uit van een totaalprijs. Daarnaast staat op de offerte dat de prijzen inclusief materiaal en arbeid zijn. [eiser] heeft op die voorwaarden akkoord gegeven. Dat betekent dat [gedaagde] de buitenstucwerkzaamheden heeft aangenomen voor een vaste prijs inclusief materiaal van € 15.142,44.

3.30

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de prijsafspraak uit de offerte later is komen te vervallen, omdat zij duurder stucmateriaal moest gaan gebruiken en dat materiaal om een arbeidsintensievere toepassing vroeg. Volgens [gedaagde] heeft zij de werkzaamheden daarom op regiebasis gefactureerd. Dit standpunt kan [gedaagde] niet helpen. [gedaagde] kan niet eenzijdig besluiten dat de prijsafspraak wordt gewijzigd van een vaste prijs naar een prijs op regiebasis. Daar moet [eiser] mee hebben ingestemd voordat [gedaagde] de werkzaamheden uitvoerde. Die instemming was er niet. Dat heeft [eigenaar] tijdens de zitting zelf toegegeven. De offerte is dus niet komen te vervallen.

3.31

[gedaagde] stelt zich ook op het standpunt dat met het duurdere materiaal en de arbeidsintensievere toepassing sprake is van meerwerk. Dit standpunt gaat niet op. [eiser] betwist dat het materiaal na het sluiten van de overeenkomst is gewijzigd. Zij zegt dat vóór de offerte al duidelijk was dat het duurdere materiaal moest worden toegepast en dat [gedaagde] daarmee rekening heeft gehouden in haar aanbod. Door deze betwisting had [gedaagde] verder (met stukken) moeten onderbouwen dat het toegepaste materiaal en de uitgevoerde werkzaamheden oorspronkelijk niet waren overeengekomen en dat dus sprake is van meerwerk. [gedaagde] stelt weliswaar dat in de overeengekomen prijs is gerekend met het goedkopere materiaal ‘LFP 235 wit’ van het merk Knauff en dat dit ook op de offerte staat vermeld, maar dit is niet voldoende. [gedaagde] heeft namelijk niet uitgelegd hoe [eiser] had kunnen weten dat er goedkoper materiaal in de offerte staat. Het duurdere materiaal is namelijk ook van het merk Knauff (dat was wel bij [eiser] bekend). [eiser] heeft erop mogen vertrouwen dat de offerte is gebaseerd op het materiaal dat uiteindelijk ook is toegepast. Dat hier sprake is van meerwerk is de kantonrechter dan ook niet gebleken.

3.32

De conclusie is dat de factuur van 16 juni 2025 van € 15.195,95 inclusief btw niet terecht is. Daarom wijst de kantonrechter de primaire vordering van [gedaagde] af.

3.33

[gedaagde] eist in de tweede plaats (subsidiair) dat [eiser] haar een redelijke prijs in de zin van artikel 7:752 BW moet betalen. Ook deze vordering wordt afgewezen. Artikel 7:752 BW geldt alleen als de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of als partijen alleen een richtprijs hebben afgesproken. Dat is hier niet het geval. Partijen zijn een vaste prijs overeengekomen.

[eiser] hoeft geen kosten voor de steigerhuur te betalen

3.34

[gedaagde] eist primair dat [eiser] haar € 3.993,- aan kosten voor de huur van de steiger moet betalen. Subsidiair eist [gedaagde] dat [eiser] haar een redelijke prijs moet betalen. De kantonrechter wijst deze vorderingen af. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn partijen een vaste prijs inclusief materiaal overeengekomen. [eiser] mocht ervan uitgaan dat onder het materiaal ook de steiger zou vallen. Als dat niet de bedoeling van [gedaagde] was, had zij dat aan [eiser] duidelijk moeten maken voordat zij de overeenkomst sloot of anders in ieder geval voordat zij de steiger huurde. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [gedaagde] die duidelijkheid heeft gegeven. Volgens [gedaagde] heeft zij op enig moment met [eiser] besproken dat zij een goedkope steiger zou huren, omdat de bouwsteiger die eerst bij de woning stond was weggehaald. [eiser] ontkent dit. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] juist gezegd dat zij de oude bouwsteiger niet nodig had en dat zij met een eigen steiger zou werken. Omdat [eiser] het standpunt van [gedaagde] gemotiveerd heeft weersproken, had [gedaagde] haar stelling verder moeten onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarom wijst de kantonrechter de primaire en subsidiaire vorderingen van [gedaagde] over de steigerhuur af.

[eiser] hoeft geen meerwerkkosten aan [gedaagde] te betalen

3.35

De kantonrechter wijst de vordering van € 2.750,- aan meerwerk af. [gedaagde] heeft niet duidelijk gemaakt voor welk meerwerk [eiser] nog iets zou moeten betalen. [gedaagde] verwijst alleen naar een WhatsApp-bericht van 13 maart 2025. In dat bericht schrijft [eigenaar] aan [eiser] dat hij graag nog “meerwerk van binnen” betaald wil hebben en dat het om € 2.750,- gaat. [eiser] maakt in haar reactie op het bericht van [eigenaar] bezwaar tegen het bedrag en vraagt om een toelichting. Die toelichting heeft [gedaagde] niet gegeven. Tijdens de zitting is gebleken dat partijen over meerwerk hebben gesproken, maar volgens [eiser] heeft [gedaagde] de besproken werkzaamheden nooit uitgevoerd. Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om te onderbouwen dat zij wel degelijk voor € 2.750,- aan meerwerk heeft verricht, welke werkzaamheden dit dan zijn en dat de kosten vooraf met [eiser] zijn besproken en door haar akkoord zijn bevonden. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.

[eiser] hoeft geen wettelijke rente en geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen

3.36

[gedaagde] vordert dat [eiser] haar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en € 988,69 aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Deze vorderingen hangen samen met de gevorderde hoofdsom. Omdat de hoofdsom wordt afgewezen, hoeft [eiser] ook geen wettelijke rente en geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.37

[gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [eiser] op € 1.154,- aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 577,-).

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1

verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst;

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:

I. € 12.602,90 aan herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 7 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;

II. € 635,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 7 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.206,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;

4.4

veroordeelt [gedaagde] om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten te betalen als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

4.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af;

in voorwaardelijke reconventie

4.7

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

4.8

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.154,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;

4.9

verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.8 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.