Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7447Zaaknummer 12180848 UC EXPL 26-3223
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12180848 UC EXPL 26-3223
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kantonzaak. Onrechtmatig handelen UPS in verband met het niet bezorgen van pakket waarvoor getekend moest worden voor ontvangst en de bezorger de handtekening heeft gezet
6 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen (van de minderjarige zoon van [eisers] en van [eisers]) af,
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.056,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
| Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken door mr. C.A.J. van Yperen op 14 oktober 2026. |
1009
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht,
kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12180848 / UC EXPL 26-3223
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1]
te [plaats]
2. [eiseres sub 2]
te [plaats]in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon [minderjarige]
eisende partijen
hierna samen te noemen: [eisers]
procederende in persoon
tegen
[gedaagde] B.V.
te [plaats]gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. M.R. Koppenol
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,- de conclusie van repliek met producties, en- de conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal komen.
2 Materiële procespartij
[eisers] stellen in het begin van de dagvaarding dat zij procederen in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon. Dat zou betekenen dat zij de vorderingen (alleen) instellen namens hun minderjarige zoon en niet (ook) namens zichzelf. De minderjarige zoon is met andere woorden de materiële procespartij.
De inhoud van de dagvaarding en de conclusie van repliek van eisers wijst er echter op dat eisers (ook) namens zichzelf de vorderingen willen instellen. Daarom wordt hierna ervan uitgegaan dat [eisers] zowel namens hun minderjarige zoon als namens zichzelf de vorderingen instellen. Ook eisers zijn dus materiële procespartij.
3 3 De kern van de zaak
In deze zaak gaat het vooral om de vraag of [gedaagde] schadevergoeding aan de minderjarige zoon van [eisers] en/of aan [eisers] moet betalen, omdat een pakket met medische hulpmiddelen niet is bezorgd en kwijt is geraakt. De uitkomst is dat [gedaagde] geen schadevergoeding hoeft te betalen.
4 De achtergrond van de zaak
[eisers] hebben op 12 september 2025 medische hulpmiddelen voor hun minderjarige zoon besteld bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] heeft voor die bestelling drie deelleveringen aangemaakt. [bedrijf] heeft aan [gedaagde] de opdracht gegeven om deze deelleveringen bij [eisers] te bezorgen. Daarbij is door [bedrijf] als voorwaarde gesteld dat door [eisers] moet worden getekend voor ontvangst.
[gedaagde] heeft de bezorging van de deelleveringen laten doen via een extern bedrijf.
De tweede en derde deellevering zijn bezorgd op 17 september 2025 en 21 oktober 2025.
De bezorging van de eerste deellevering is niet goed gegaan. Die deellevering zou op 16 september 2025 tussen 10:45 en 14:45 worden bezorgd. [eisers] waren toen allebei niet thuis. [eisers] hebben om 15.00 uur een bericht van [gedaagde] ontvangen dat het pakket is bezorgd om 14.59 uur. Omdat [eisers] het pakket niet hadden ontvangen, hebben zij meteen contact proberen te krijgen met [gedaagde]. Toen het niet lukte via een daartoe bestemd formulier, hebben zij twee keer gebeld met de klantenservice van [gedaagde]. [eisers] hebben op dezelfde dag (16 september 2025) [bedrijf] laten weten dat het pakket niet was bezorgd. [bedrijf] heeft toen meteen een nieuwe bestelling aangemaakt en heeft [eisers] daarvoor geen kosten in rekening gebracht. Deze bestelling is op 24 september 2025 door [gedaagde] bezorgd.
[eisers] heeft na 16 september 2025 nog met [gedaagde] gecorrespondeerd over het niet bezorgen van het pakket.
In een e-mail van 17 september 2025 schrijft [gedaagde] het volgende aan [eisers]: we betreuren te moeten vernemen dat u uw pakket niet in bezit heeft. De GPS locatie van de chauffeur staat wel op uw adres en heeft geeft aan dit misschien in de brievenbus te hebben gedaan, dit mag echter al niet en lijkt ons ook niet het geval gezien het formaat van het pakket. We hebben hem verzocht vandaag bij u langs te komen om te kijken waar hij het pakket heeft achtergelaten.
Mocht u vandaag het pakket nog steeds niet in uw bezit te hebben of nog niet duidelijk zijn waar het pakket zich bevindt moeten wij helaas adviseren u contact op te laten nemen met de verzender. Zij kunnen dan verdere stappen in gang zetten voor een niet ontvangen pakket. Excuses voor het ongemak.
[eisers] hebben vervolgens in een e-mail van dezelfde dag (17 september 2025) gereageerd en hebben [gedaagde] gevraagd om een terugkoppeling over wat er is gebeurd met het pakket en welke maatregelen [gedaagde] neemt om dit soort incidenten in de toekomst te voorkomen. Ook hebben zij [gedaagde] verzocht om de schade wegens het niet bezorgen van het pakket te vergoeden.
In een e-mail van 29 september 2025 (van 14:27 uur) schrijft [gedaagde] het volgende aan [eisers]: We snappen dat dit frustrerend en vervelend is. Echter is dit wel de procedure die bij ons gevolgd moet worden. Ja we hebben een pakket niet (goed) bezorgd echter kan alleen de verzender een onderzoek starten en een claim neerleggen.
[eisers] hebben op 3 november 2025 aangifte gedaan van valsheid in geschrifte zoals bedoeld in artikel 225 Sr. Zij hadden via een AVG verzoek een afschrift ontvangen van een formulier waarop is vermeld dat het pakket is bezorgd en waarop een handtekening is geplaatst. Die handtekening is echter niet van [eisers], maar volgens [eisers] van de bezorger van het pakket.
5 De beoordeling
De vordering tot betaling van schadevergoeding
[eisers] vorderen (namens hun minderjarige zoon en namens zichzelf) dat [gedaagde] wordt veroordeeld om in totaal € 2.452,87 aan schadevergoeding te betalen. Deze vordering wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Grondslag: onrechtmatige daad 5.2 De vordering tot betaling van schadevergoeding is gebaseerd op een onrechtmatige daad van [gedaagde]. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] onrechtmatig tegenover hen en hun minderjarige zoon gehandeld door:
- zich onvoldoende in te spannen om te achterhalen wat er met het pakket is gebeurd,
- hen niet te informeren over welke maatregelen worden genomen om in de toekomst te voorkomen dat een bezorger doet alsof het pakket is bezorgd door zelf voor ontvangst van het pakket te tekenen,
- te doen alsof het pakket is bezorgd doordat de bezorger heeft getekend voor ontvangst van het pakket.
Geen verplichting tot betaling van schadevergoeding op grond van verwijten a en b 5.3 Er bestaat geen verplichting tot betaling van schadevergoeding op grond van de in 5.2. onder a en b genoemde verwijten.
De feitelijke grondslag voor het onder 5.2. onder a genoemde verwijt ontbreekt.
[gedaagde] heeft zich voldoende ingespannen om te achterhalen wat er met het pakket is gebeurd. [gedaagde] heeft onmiddellijk nadat [eisers] hadden gemeld dat zij het pakket niet hadden ontvangen, navraag gedaan bij de bezorger en de bezorger opdracht gegeven om naar het adres van [eisers] te gaan om het pakket te zoeken. Dat blijkt uit de mail van [gedaagde] van 17 september 2025 (zie 4.2.1.). Meer kon en hoefde [gedaagde] niet te doen.
Wat betreft het verwijt zoals genoemd in 5.2. onder b geldt dat op [gedaagde] niet de verplichting rust om de door [eisers] gewenste informatie met [eisers] te delen. [gedaagde] heeft dus niet onrechtmatig tegenover [eisers] gehandeld door dat niet te doen.
In beginsel wel verplichting tot betaling van schadevergoeding op grond van verwijt c
[gedaagde] is echter wel op grond van het verwijt zoals genoemd in 4.2. onder c verplicht om schadevergoeding aan [eisers] en hun minderjarige zoon te betalen. Vaststaat dat de door [gedaagde] ingeschakelde bezorger heeft gedaan alsof hij het pakket had bezorgd door zelf een handtekening te plaatsen op het bezorgformulier. De bezorger heeft hierdoor onrechtmatig tegenover [eisers] en hun minderjarige zoon gehandeld. Die onrechtmatige daad van de bezorger levert ook een toerekenbare onrechtmatige daad van [gedaagde] op, omdat [gedaagde] op grond van artikel 6:171 Burgerlijk Wetboek (BW) ook aansprakelijk is voor een door een niet-ondergeschikte persoon (de door [gedaagde] ingeschakelde bezorger) gepleegde onrechtmatige daad.
[gedaagde] moet daarom de schade die de minderjarige zoon van [eisers] en [eisers] door het onrechtmatig handelen van de bezorger lijdt vergoeden.
Geen sprake van schade van minderjarige zoon 5.5 Niet gesteld of gebleken is dat sprake is geweest van schade van de minderjarige zoon van [eisers]. De schade die wordt gevorderd, is schade die van [eisers] zelf stelt te lijden. Er hoeft daarom geen schadevergoeding aan de minderjarige zoon van [eisers] te worden betaald.
Geen sprake van schade van [eisers] 5.6 [eisers] vorderen betaling van de volgende schadeposten:
- immateriële schade € 1.500,-,
- kosten gemaakt in verband met contacten met [gedaagde] € 185,62 (€ 148,50 + 37,12),
- kosten voor juridische bijstand € 544,50
- kosten voor het doen van aangifte € 222,75.
Deze schadeposten komen echter niet voor vergoeding in aanmerking. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
Immateriële schade
[eisers] hebben geen recht op immateriële schadevergoeding.
Dat recht hebben zij alleen als sprake is van: i) een oogmerk om immateriële schade toe te brengen, ii) lichamelijk letsel, iii) aantasting in de eer of goede naam, of iv) aantasting in de persoon (zie artikel 6:106 BW). De onder i tot en met iii genoemde situaties doen zich niet voor. Blijft over de situatie dat [eisers] door het onrechtmatig handelen in hun persoon zijn aangetast. [eisers] hebben daarvoor aangevoerd dat zij veel stress hebben gehad doordat het pakket niet was bezorgd op de aangekondigde verwachte bezorgdatum en dat het frustrerend is als een pakket niet wordt bezorgd. Stress en frustratie leveren echter geen aantasting van de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 BW op.
Als wel aanspraak zou bestaan op immateriële schadevergoeding dan zou die schadevergoeding zijn bepaald op € 0,-[_d4701650-4e82-47ce-b445-953bee759378]. Reden daarvoor is dat:
- het gaat om een risicoaansprakelijkheid: [gedaagde] heeft zelf geen onrechtmatige daad gepleegd, maar is aansprakelijk voor de door de door haar ingeschakelde bezorger gepleegde onrechtmatige daad, en
- de mate waarin [eisers] in hun persoon zijn getroffen beperkt is. De stress is van zeer korte duur is geweest, aangezien nog op dezelfde dag dat het pakket niet was bezorgd daarvoor een oplossing is gevonden. [bedrijf] heeft immers meteen kosteloos een nieuwe bestelling aangemaakt. Die bestelling is vervolgens binnen
8 dagen geleverd. Bovendien was deellevering 2 al op 17 september 2025 bezorgd. Dat is een dag nadat deellevering 1 had moeten worden bezorgd. Van belang is verder dat niet is gesteld dat [eisers] door de niet (tijdige) bezorging van deellevering 1 in de problemen zijn gekomen, in die zin dat de gezondheidssituatie van hun minderjarige zoon daardoor in gevaar is gekomen.
De kosten van contacten met [gedaagde] en de kosten voor juridische bijstand
De kosten van telefonische en schriftelijke contacten met [gedaagde] en de kosten voor juridische bijstand (kosten voor het opstellen van de conceptdagvaarding en mailverkeer met [gedaagde]) komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn gemaakt nadat op 16 september 2025 al een oplossing was gevonden voor de niet bezorging van het pakket.
Dat zoals [eisers] stelt het achterliggende probleem toen nog niet was opgelost, doet er niet toe, omdat er geen verplichting op [gedaagde] rust om [eisers] te informeren hoe zij in de toekomst gaat voorkomen dat bezorgers doen alsof een pakket is bezorgd en dat is waarover de correspondentie vooral ging.
Kosten van doen van aangifte
De kosten van het doen van aangifte van valsheid in geschrifte zijn niet toewijsbaar omdat deze kosten niet aan de onrechtmatige daad (het doen alsof het pakket is bezorgd) kunnen worden toegerekend. Er is geen verplichting tot het doen van aangifte.
De verklaringen voor recht
[eisers] vorderen (namens hun minderjarige zoon en zichzelf) twee verklaringen voor recht waarbij het door hen gestelde onrechtmatig handelen wordt vastgesteld. Deze verklaringen voor recht worden afgewezen.
De verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door middels een vervalste handtekening te doen voorkomen dat het pakket met medische hulpmiddelen zou zijn bezorgd, wordt afgewezen, omdat de minderjarige zoon van [eisers] en [eisers] daarbij geen voldoende belang hebben (artikel 3:303 BW). Het klopt weliswaar dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover hen heeft gehandeld door te doen alsof het pakket is bezorgd. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat zij geen schade hebben geleden door dit onrechtmatig handelen. Zonder toelichting, die niet is gegeven, valt daarom niet in te zien welk belang zij hebben bij de door hen gevorderde verklaring voor recht.
De verklaring voor recht dat [gedaagde] geen, althans onvoldoende inspanningen heeft verricht om te achterhalen wat er is gebeurd teneinde incidenten in de toekomst te voorkomen wordt afgewezen, omdat wat dit betreft geen sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde].
Gebod tot verwijdering van de valse handtekening uit de administratie
[eisers] vorderen dan nog (namens hun minderjarige zoon en zichzelf) een gebod tot verwijdering van de valse handtekening uit de administratie van [gedaagde]. Tijdens deze procedure is komen vast te staan dat [gedaagde] de handtekening al uit haar administratie heeft verwijderd. De vordering wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. Deze proceskosten worden begroot op:
| - griffierecht | € | 514,00 | |
| - salaris gemachtigde (2x € 217,-) | € | 434,00 | |
| - nakosten | € | 108,50 | |
| Totaal | € | 1.056,50 |
[eisers] worden hoofdelijk tot betaling van de proceskosten veroordeeld.
6 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen (van de minderjarige zoon van [eisers] en van [eisers]) af,
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.056,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
| Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken door mr. C.A.J. van Yperen op 14 oktober 2026. |
1009
Voetnoten
- Vergelijk HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1337 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2001:AB1337) waarin wordt overwogen:Volgens art. 6:106 BW heeft de benadeelde in geval van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de zinsnede: "een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding" en uit het in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 6 geciteerde gedeelte van de memorie van antwoord bij genoemde bepaling volgt dat de rechter die op de voet van deze bepaling schadevergoeding toekent, een discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot het bepalen van de omvang van die schadevergoeding. De rechter mag met alle omstandigheden van het geval rekening houden bij de begroting van de schade en hij heeft de bevoegdheid om, indien hij daartoe gronden aanwezig oordeelt, geen schadevergoeding toe te kennen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.