Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7194Zaaknummer 12218640 \ UC EXPL 26-3978
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12218640 \ UC EXPL 26-3978
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nakoming overeenkomst.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan INC te betalen een bedrag van € 11.591,62, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan INC te betalen een bedrag van € 890,92 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.642,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
1006
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12218640 \ UC EXPL 26-3978
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
INC ZAKELIJK B.V. H.O.D.N. INVORDERINGSBEDRIJF,
te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: INC,
gemachtigde: mr. S.K. Tuithof,
tegen
[gedaagde], HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van INC;- het proces-verbaal van de rolzitting van 8 juli 2026 waarop [gedaagde] mondeling verweer heeft gevoerd; - de conclusie van repliek van INC.
[gedaagde] mocht reageren op de conclusie van repliek maar heeft dat niet gedaan.
Daarna heeft de kantonrechter besloten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2 De kern
INC incasseert als incassobureau openstaande vorderingen voor haar opdrachtgevers. Zij sluit daartoe met haar opdrachtgevers jaarabonnementen en krijgt dan de incasso-opdrachten. [gedaagde] heeft een eenmanszaak en wilde INC een openstaande vordering laten innen, maar bedacht zich later. [gedaagde] moet de openstaande facturen van INC toch betalen, omdat hij met INC een overeenkomst heeft gesloten.
3 De beoordeling
Partijen hebben een overeenkomst gesloten
[gedaagde] heeft contact opgenomen met INC om INC een vordering te laten innen van zijn voormalige compagnon. Volgens [gedaagde] is hem in een telefoongesprek met INC op sluwe wijze een jaarabonnement opgedrongen en realiseerde hij zich al bij het ophangen van de telefoon dat hij zo’n jaarabonnement eigenlijk niet wilde. De kantonrechter kan deze door [gedaagde] beschreven gang van zaken niet rijmen met de schriftelijke overeenkomst tussen INC en de eenmanszaak van [gedaagde], die INC heeft overgelegd. Die overeenkomst heeft [gedaagde] op 20 maart 2023 voor akkoord ondertekend. In de overeenkomst staat dat [gedaagde] akkoord gaat met de voorwaarden van de overeenkomst en de algemene voorwaarden van INC. De overeenkomst is een onderhandse akte en heeft dwingende bewijskracht. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de inhoud ervan.
[gedaagde] voert daarnaast aan dat hij bij het aangaan van de overeenkomst niet wist dat INC extra kosten in rekening zou brengen voor het inschakelen van een advocaat. Deze extra kosten staan echter wel in de algemene voorwaarden opgenomen en [gedaagde] is akkoord gegaan met deze algemene voorwaarden. Daar heeft hij voor getekend. Als hij niet op de hoogte was van deze extra kosten, betekent dit dat hij de algemene voorwaarden niet of niet goed heeft gelezen. Dat is zijn keuze geweest en niet de schuld van INC.
Volgens INC moet [gedaagde] de abonnementskosten voor het eerste jaar betalen (€ 6.050,00) en een vergoeding voor de incasso-opdracht die zij nu niet voor [gedaagde] kan uitvoeren (€ 5.541,62). In totaal eist INC € 11.591,62 van [gedaagde] als hoofdsom.
[gedaagde] moet de facturen betalen
De gevorderde hoofdsom van € 11.591,62 zal worden toegewezen.
- Dat de overeenkomst tot stand is gekomen blijkt uit de schriftelijke overeenkomst. Kennelijk heeft [gedaagde] die ondertekend na het telefoongesprek. Door de ondertekening is hij akkoord gegaan met het jaarabonnement tegen de prijs die nu door INC wordt gevorderd. Dat bedrag staat genoemd in de overeenkomst. [gedaagde] is ook akkoord gegaan met de algemene voorwaarden aan de hand waarvan INC de vergoeding voor de incasso-opdracht heeft berekend. [gedaagde] heeft tegen de hoogte van die berekening geen verweer gevoerd, dus gaat de kantonrechter ervan uit dat dat klopt.
- [gedaagde] voert aan dat hij ‘binnen de geldende termijn van zeven dagen’ de overeenkomst heeft opgezegd. Het is voor de kantonrechter niet duidelijk op welke termijn [gedaagde] doelt. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar. Dat een termijn is overeengekomen (van zeven dagen) waarbinnen hij alsnog van de overeenkomst kon afzien, is niet gesteld of gebleken. Als je zo’n overeenkomst voor een jaarabonnement ondertekent, zit je er voor een jaar aan vast. Overigens constateert de kantonrechter dat de opzeggingsbrief van [gedaagde] van 27 april 2023 van veel later is dan zeven dagen na de overeenkomst van 20 maart 2023, zodat die opzegging niet is gedaan binnen de door [gedaagde] gestelde termijn.
INC heeft de overeenkomst na de opzegging beëindigd en heeft voldoende gesteld dat zij op grond van de overeenkomst en toepasselijke algemene voorwaarden recht heeft op de twee bedragen die zij aan [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Tegen de hoogte van die bedragen heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd.
[gedaagde] moet ook de incassokosten, rente en proceskosten betalen
INC vordert een vergoeding van € 1.738,74 voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Dat mag omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een bedrijf. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. INC heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat niet is gesteld of gebleken dat de werkelijke kosten van INC hoger zijn dan het toepasselijke tarief van Rapport Voor-werk II of het Besluit, wordt het bedrag toegewezen tot het wettelijke tarief van € 890,92. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
INC vordert ook de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW over de hoofdsom vanaf de vervaldata van de twee facturen. Deze eis is voldoende onderbouwd en wordt door [gedaagde] niet betwist. Deze rente zal worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van INC worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 130,16 | |
| - griffierecht | € | 1.504,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 864,00 | (2 punten × € 432,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 2.642,16 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan INC te betalen een bedrag van € 11.591,62, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan INC te betalen een bedrag van € 890,92 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.642,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
1006
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.