Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7193Zaaknummer 12271850 \ MC EXPL 26-3202 AW/1583

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
12271850 \ MC EXPL 26-3202 AW/1583
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

niet dupliek, loonvordering toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.859,40 (loon € 60,00, extra uren € 2.337,00, overwerk € 142,86, studiekosten € 329,47, wettelijke verhoging € 1.434,67 en buitengerechtelijke incassokosten € 555,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 8 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagden c.s] tot betaling aan [eiser] van de krachtens artikel 46 van de toepasselijke CAO verschuldigde vergoeding voor woon-werkverkeer en overige zakelijke reiskosten, nader op te maken aan de hand van de administratie en/of planning van [gedaagden c.s], dan wel veroordeelt [gedaagden c.s] tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de door [eiser] in het kader van zijn werkzaamheden afgelegde reisbewegingen en op basis daarvan tot betaling van verschuldigde reiskostenvergoeding,

4.3

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 725,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Toevoeging: eiser, kr. toev.nr. 4RG4926, d.d. 4 mei 2026

Zaaknummer: 12271850 \ MC EXPL 26-3202 AW/1583

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. M. Booij,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2], vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3], vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden c.s],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.

1.2

[gedaagden c.s] heeft de mogelijkheid gekregen om te reageren op de repliek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

1.3

Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] is op 1 september 2025 bij [gedaagden c.s] in dienst getreden. Het dienstverband is per 27 februari 2026 geëindigd. [eiser] vordert in deze procedure betaling van salaris, reiskosten en studiekosten, vermeerderd met wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en rente. [gedaagden c.s] is het daar niet mee eens. [gedaagden c.s] verzoekt om de vordering kritisch te beoordelen en rekening te houden met gemaakte afspraken. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk en wijst de vorderingen van [eiser] toe.

3 De beoordeling

Het beoordelingskader bij een loonvordering

3.1

De werkgever is verplicht het overeengekomen loon tijdig te voldoen, artikel 7:616 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

[gedaagden c.s] moet nog € 60,00 aan loon nabetalen

3.2

Na het einde van het dienstverband heeft [eiser] de salarisspecificaties van [gedaagden c.s] ontvangen. Volgens [eiser] blijkt uit de salarisspecificaties dat hij in 2025 recht heeft op een salaris van € 2.006,61 per maand en in 2026 € 2.049,49 per maand op basis van een 32-urige werkweek. Op basis van de salarisspecificaties had [gedaagden c.s] over de periode september 2025 tot en met februari 2026 € 12.960,34 moeten betalen, maar [gedaagden c.s] heeft € 12.900,34 uitbetaald. [eiser] maakt aanspraak op nabetaling van € 60,00. [gedaagden c.s] heeft niet betwist dat zij € 60,00 te weinig heeft uitbetaald. Dit deel van de vordering is dan ook toewijsbaar.

[gedaagden c.s] heeft te weinig uren uitbetaald

3.3

Volgens [eiser] werkte hij vier dagen in de week bij [gedaagden c.s] en ging hij één dag per week naar school. Op grond van artikel 72 lid 2 van de CAO Metaal en Techniek heeft een BBL-leerling recht op doorbetaling tijdens schooldagen. [eiser] is voor 32 uur per week uitbetaald. [eiser] heeft echter recht op betaling van 38 uur per week.

[gedaagden c.s] voert aan dat de samenwerking was gebaseerd op 32 uur per week en dat er geen afspraken zijn gemaakt over 38 uur per week. Er was geen sprake van een erkend BBL-leertraject en [gedaagden c.s] kan zich er niet in vinden dat alle opleidingsgerelateerde uren als werktijd dienen te worden beschouwd.

[eiser] heeft bij repliek vervolgens uiteengezet dat hij stond ingeschreven voor de opleiding Monteur Elektrotechnische Installaties, leerweg BBL. Een BBL-opleiding kan uitsluitend worden gevolgd bij een erkend leerbedrijf. Het ROC heeft de inschrijving en het leerbedrijf goedgekeurd. [eiser] heeft de opleiding Monteur Elektrotechnische Installaties gevolgd en is door [gedaagden c.s] ingezet voor werkzaamheden op het gebied van elektrotechnische installaties.

Hier wreekt zich dat [gedaagden c.s] niet meer heeft gereageerd voor dupliek. [gedaagden c.s] heeft de stellingen van [eiser] niet meer weersproken. Dat betekent dat de kantonrechter uit moet gaan van de juistheid hiervan.

3.4

Niet is betwist dat op de arbeidsovereenkomst tussen partijen de CAO Metaal en Techniek van toepassing is. In de CAO staat dat werknemers die met een werkgever een leerarbeidsovereenkomst hebben afgesproken en daarbij één dag per week naar school gaan, voor deze wekelijkse schooldag hun salaris doorbetaald krijgen, maar alleen als ze met de werkgever een werkweek hebben afgesproken van gemiddeld 32 uur. Dat komt

neer op vier dagen werken en één dag naar school. Dat is hier het geval. Nu [gedaagden c.s] niet heeft gesteld welke andere afspraken er zijn gemaakt en [gedaagden c.s] de arbeidsovereenkomst niet op schrift heeft gesteld waaruit eventuele andere afspraken zijn gebleken, gaat de kantonrechter uit van de CAO. [gedaagden c.s] dient de scholingsuren dan ook uit te betalen. [gedaagden c.s] heeft het bedrag van € 2.337,00 niet betwist, zodat dit voor toewijzing in aanmerking komt.

[gedaagden c.s] moet het salaris over 6 december 2025 betalen

3.5

[eiser] stelt dat hij op zaterdag 6 december 2025 werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagden c.s] maar dat hij hiervoor geen betaling heeft ontvangen in de vorm van overuren. Omdat dit in een weekend is heeft hij op grond van de CAO recht op een toeslag. [eiser] heeft 8 uren gewerkt en maakt aanspraak op een bedrag van € 142,86. [gedaagden c.s] heeft dit in het geheel niet betwist, zodat ook dit deel van de vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

[gedaagden c.s] moet de studiekosten vergoeden

3.6

[eiser] stelt dat hij met instemming van [gedaagden c.s] een opleiding heeft gevolgd die verband hield met de uitvoering van de werkzaamheden en dat [gedaagden c.s] heeft toegezegd de aan de opleiding verbonden kosten voor haar rekening te nemen. De opleidingskosten bedroegen € 277,75. [eiser] heeft een herinnering ontvangen van de onderwijsinstelling. Deze heeft hij doorgestuurd naar [gedaagden c.s], waarna [gedaagden c.s] heeft bevestigd dat dit zou worden overgemaakt. [gedaagden c.s] heeft dit niet gedaan en als gevolg daarvan werd [eiser] geconfronteerd met incassokosten en rente. [eiser] vordert daarom een bedrag van € 329,47.

3.7

[gedaagden c.s] heeft niet betwist dat zij de opleidingskosten voor [eiser] zou voldoen. [gedaagden c.s] betwist ook niet dat zij aan [eiser] nadat hij de betalingsherinnering had ontvangen, heeft aangegeven dat zij het aan het regelen was, althans dat zij het zou afhandelen. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van de juistheid van de stelling van [eiser]. Door wel de toezegging tot betaling te doen, maar dit niet te doen heeft [gedaagden c.s] de extra kosten over zich afgeroepen. Het bedrag van € 329,47 komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

[gedaagden c.s] is reiskosten verschuldigd

3.8

[eiser] vordert reiskosten op grond van artikel 46 van de CAO, nader op te maken aan de hand van de administratie of planning van [gedaagden c.s] danwel op te maken naar aanleiding van een deugdelijke specificatie van de afgelegde reisbewegingen. Volgens [eiser] heeft hij regelmatig met eigen vervoer naar verschillende project- en werklocaties gereisd. [gedaagden c.s] heeft de verschuldigdheid van reiskosten betwist. Volgens [gedaagden c.s] was bij aanvang van het dienstverband afgesproken dat [eiser] zou worden opgehaald en naar het werk zou worden gebracht. [eiser] heeft er echter zelf voor gekozen om op enig moment met eigen vervoer naar het werk te reizen. [eiser] heeft vervolgens bij repliek uiteengezet dat hij bij aanvang van het dienstverband nog bij zijn ouders woonde. Nadat hij uit huis ging heeft hij een eigen auto aangeschaft en was ophalen voor [gedaagden c.s] niet langer mogelijk. Reizen met eigen vervoer was volgens hem geen keuze maar noodzaak om uitzonderlijk hoge kosten te besparen. [gedaagden c.s] heeft niet aangegeven dat reiskosten niet vergoed zouden worden en [eiser] heeft ook niet afgezien van reiskostenvergoeding, aldus [eiser].

3.9

Ook hier wreekt zich dat [gedaagden c.s] niet meer heeft gereageerd voor dupliek. [gedaagden c.s] heeft de stellingen van [eiser] niet meer weersproken. Dat betekent dat de kantonrechter ook hier uit moet gaan van de juistheid hiervan. De vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen. Dit geldt temeer nu in de CAO ook een vergoeding voor reiskosten is opgenomen.

[gedaagden c.s] moet de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en rente voldoen

3.10

[eiser] vordert de maximale wettelijke verhoging over het achterstallige loon. Dit zal worden toegewezen. Voor matiging bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding in deze procedure. Dat [gedaagden c.s] zich naar beste vermogen heeft ingezet moge zo zijn, maar desondanks is zij niet overgegaan tot uitbetaling van het achterstallige loon. [eiser] is daardoor gedwongen onderhavige procedure te voeren. De wettelijke verhoging bedraagt 50%. Door de kantonrechter is dit berekend op € 1.434,67.

3.11

[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter moet deze vordering beoordelen op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dat betekent dat [gedaagden c.s] buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] moet betalen. Daarom zal een bedrag van € 555,40 worden toegewezen.

3.12

De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, die door [gedaagden c.s] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, is betwist is, als op de wet gegrond, toewijsbaar.

[gedaagden c.s] moet de proceskosten betalen

3.13

[gedaagde sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde sub 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht€93,00
- salaris gemachtigde€506,00(2 punten × € 253,00)
- nakosten€126,50
Totaal€725,50

Uitvoerbaar bij voorraad

3.14

De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagden c.s] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.859,40 (loon € 60,00, extra uren € 2.337,00, overwerk € 142,86, studiekosten € 329,47, wettelijke verhoging € 1.434,67 en buitengerechtelijke incassokosten € 555,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 8 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagden c.s] tot betaling aan [eiser] van de krachtens artikel 46 van de toepasselijke CAO verschuldigde vergoeding voor woon-werkverkeer en overige zakelijke reiskosten, nader op te maken aan de hand van de administratie en/of planning van [gedaagden c.s], dan wel veroordeelt [gedaagden c.s] tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de door [eiser] in het kader van zijn werkzaamheden afgelegde reisbewegingen en op basis daarvan tot betaling van verschuldigde reiskostenvergoeding,

4.3

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 725,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.