Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7185Zaaknummer 12137248 \ MC EXPL 26-1339 AW/1583

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
12137248 \ MC EXPL 26-1339 AW/1583
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

non-confomiteit auto

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 10 dagen na vandaag te betalen een bedrag van € 2.615,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 10 dagen na vandaag te betalen een bedrag van € 386,58 aan buitengerechtelijke kosten,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 420,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12137248 \ MC EXPL 26-1339 AW/1583

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. P.L.M.F. Roosendaal.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties van [eiser]

- de brief van mr. Roosendaal van 3 augustus 2025 waarin hij bezwaar maakt tegen de inhoud van de akte van [eiser]

- de akte uitlating van [gedaagde].

1.2

Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] heeft op 16 januari 2026 een gebruikte elektrische auto (een Polestar 2, bouwjaar 25-11-2020) gekocht bij [gedaagde] voor € 18.100,00. Na aankoop ontdekte [eiser] dat de boordlader van de auto niet correct functioneert. De boordlader laad op twee fasen in plaats van drie fasen waardoor normaal laden via een laadpaal niet mogelijk is. Ook waren twee van de drie geleverde sleutels defect. [eiser] vordert daarom dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om € 2.020,83 voor de boordlader en € 594,98 voor de sleutels te betalen. [gedaagde] wil deze bedragen niet betalen. Volgens [gedaagde] is er geen sprake van non-conformiteit voor wat betreft de boordlader en voor wat betreft de sleutels is [gedaagde] steeds bereid geweest deze te vergoeden als de sleutels daadwerkelijk zijn gerepareerd. De verweren van [gedaagde] slagen niet. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van (vervangende) schadevergoeding aan [eiser].

3 De beoordeling

Consumentenkoop

3.1

De overeenkomst die tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten betreft een consumentenkoop, omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een bedrijf en [eiser] een natuurlijk persoon is die met de aankoop van de auto niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7:5 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

Geen oneerlijke bedingen

3.2

Omdat er sprake is van een consumentenkoop, moet ambtshalve worden onderzocht of is voldaan aan het consumentenrecht, waaronder of sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn 93/12/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Er is geen sprake van oneerlijke bedingen in voornoemde zin.

Juridisch kader

3.3

Op grond van artikel 7:17 lid 1 BW moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Gelet op het tweede lid van dit artikel beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst als zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten (en is daarmee sprake van non-conformiteit). De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik van de zaak nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. Daarbij geldt dat de koper van een tweedehands auto – afhankelijk van de ouderdom, het aantal gereden kilometers en de koopprijs – tot op zekere hoogte rekening moet houden met het bestaan van mankementen. Een auto is ook bij normaal gebruik namelijk aan slijtage onderhevig en in het algemeen geldt dat de kans dat gebreken gaan optreden groter wordt naarmate de auto ouder is. Dat gegeven is verdisconteerd in de koopprijs van de tweedehands auto die meestal lager is dan die van een nieuwe auto. De koper van een tweedehands auto moet er in het algemeen daarom rekening mee houden dat een tweedehands auto eerder gebreken vertoont dan een nieuwe. Uit de rechtspraak volgt dat een auto in ieder geval niet aan de overeenkomst beantwoordt als het gebruik van de auto gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid als gevolg van een gebrek.

3.4

Bij een consumentenkoop geldt verder het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Als de afwijking van hetgeen is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Het is vervolgens aan de verkoper om te stellen en te bewijzen dat de zaak bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde.

De auto beantwoordt niet aan de overeenkomst

3.5

De vraag die eerst moet worden beantwoord is of de auto aan de overeenkomst voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dat niet het geval is.

3.6

[eiser] stelt dat hij de dag na aankoop van de auto de auto heeft aangesloten op de laadpaal bij hem thuis. Daar is hem gebleken dat de boordlader niet correct functioneert. Op 21 januari 2026 heeft hij de auto laten onderzoeken door de Volvo-dealer in Naarden en die heeft vastgesteld dat de boordlader op twee fasen laadt in plaats van drie, waardoor normaal laden van de auto via een laadpaal niet mogelijk is.

3.7

[gedaagde] voert aan dat haar (pas) op 22 januari 2026 is meegedeeld dat er een probleem zou zijn met de boordlader. De 3-fase lader zou defect zijn waardoor er slechts met twee fasen geladen kunnen worden. Het gebrek aan de boordlader maakt het laden echter niet onmogelijk. Met de auto kan volgens [gedaagde] nog gewoon gereden worden. Het voertuig is niet onveilig. Dat maakt volgens [gedaagde] dat er geen sprake is van non-conformiteit.

3.8

[gedaagde] miskent hiermee echter dat er tijdens de verkoop over de boordlader is gesproken. Of dit in algemene zin is geweest zoals [gedaagde] stelt, maakt dit niet anders. [gedaagde] erkent immers dat zij heeft aangegeven dat voor zover haar bekend was de accu en de boordlader in orde waren en dat het een goede auto betrof. In de verkoopadvertentie staat verder vermeld dat het om een auto gaat met een 3-fase lader. [gedaagde] erkent ook dat de advertentie wat dat betreft duidelijk is. [eiser] mocht dan ook verwachten dat hij een auto kreeg met een werkende 3-fase lader. Dat is niet het geval. Daarmee is sprake van non-conformiteit. Dat geen garantie op de auto is gegeven doet aan het voorgaande niet af, omdat ook in dat geval geldt dat de auto wel aan de overeenkomst moet beantwoorden. Dat geldt ook voor de stelling van [gedaagde] dat er normaal gebruik kan worden gemaakt van de auto en de auto technisch veilig is.

3.9

Omdat de gebreken zich binnen een jaar na aankoop hebben geopenbaard, wordt vermoed dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Gelet op hetgeen hiervoor is geschetst is het aan [gedaagde] om aan te tonen dat dit anders is. De stelling van [gedaagde] dat haar niet van een gebrek is gebleken is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor haar stelling dat dit gebrek niet aanwezig was op de datum van de verkoop. [gedaagde] had dit moeten onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat het gebrek al bij aankoop aanwezig was. Of [eiser] het gebrek de dag zelf, op 19 januari 2026, of op 22 januari 2026 heeft gemeld bij [gedaagde] doet gelet op het feit dat alle data ruim binnen het geldende jaar zijn gelegen, niet ter zake.

3.10

[gedaagde] voert nog aan dat [eiser] geen beroep op non-conformiteit toekomt, omdat hij een auto heeft gekocht zonder garantie en tegen een meeneemprijs. [eiser] heeft de gelegenheid gehad om het voertuig te inspecteren. Hij heeft de auto geaccepteerd in de huidige staat, met als gevolg dat eventuele gebreken na levering volledig vallen onder verantwoordelijkheid van [eiser]. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] van mening is dat [eiser] zijn onderzoekplicht heeft verzaakt. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit standpunt. Door de tekst van de advertentie en de mededelingen van [gedaagde] dat voor zover haar bekend was de accu en de boordlader in orde waren en dat het een goede auto betrof, hoefde [eiser] voor wat betreft het 3-fasen laden niet te twijfelen aan de staat van de auto wat dat betreft. [eiser] mocht hierop vertrouwen.

3.11

De conclusie is dan ook dat het 3-fasen laden niet voldoet aan wat tussen partijen is overeengekomen. [gedaagde] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst.

[gedaagde] heeft recht op vervangende schadevergoeding voor de boordlader

3.12

[eiser] vordert (vervangende) schadevergoeding (artikel 7:24 lid 1 BW). Om die vordering te kunnen toewijzen moet er sprake zijn van verzuim. [eiser] heeft op 6 februari 2026 een verzoek aan [gedaagde] gestuurd om de auto (boordlader en beide sleutels) te herstellen en hiervoor een termijn gesteld, dan wel om de kosten aan [eiser] te voldoen. Op grond van het verzoek tot herstel is [gedaagde] gehouden om binnen veertien dagen na 6 februari 2026 tot herstel over te gaan. [gedaagde] is niet tot herstel overgegaan. [gedaagde] heeft op 9 februari 2026 wel aangeboden om de koop te ontbinden en de auto terug te nemen tegen het volledige aankoopbedrag, dan wel de auto om te ruilen, maar daar hoefde [eiser] niet mee akkoord te gaan. Bij een consumentenkoop heeft de koper immers de mogelijkheid om herstel (of vervanging) te eisen tenzij de kosten daarvan niet in verhouding staan (artikel 7:21 BW). Daarvan is hier naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. De kosten van herstel bedragen volgens de offerte van de Volvo-dealer € 2.020,83 en de aankoopwaarde van de auto was € 18.000,00.

3.13

Omdat er sprake is van non-conformiteit en [gedaagde] haar herstelverplichting niet is nagekomen, heeft [eiser] recht op schadevergoeding.

[eiser] heeft zijn schade voor wat betreft de boordlader begroot op € 2.020,83. Dit is volgens hem de prijs voor het laten herstellen van de boordlader.

3.14

De vervangende schadevergoeding treedt in de plaats van de niet-geleverde prestatie en gaat om vergoeding van de waarde van de uitgebleven prestatie. Om deze waarde vast te stellen moet worden gekeken naar wat het kost om alsnog de prestatie te verrichten. [eiser] heeft daartoe een offerte van de Volvo-dealer in Naarden overgelegd. [gedaagde] betwist de hoogte van de kosten. [gedaagde] heeft een offerte van autobedrijf Van Haaster van 26 juni 2026 overgelegd. Volgens [gedaagde] kan dit autobedrijf de boordlader herstellen voor € 1.715,23. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de schade aan de boordcomputer van de auto van [eiser] voor dit bedrag kan worden hersteld. Dit autobedrijf heeft de auto niet gezien. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met de offerte van de Volvo-dealer zijn schade voldoende heeft onderbouwd. Tussen de reparatiekosten bij de Volvo-dealer en de overgelegde offerte van [gedaagde] is ook geen sprake van een dusdanig verschil dat hierover anders moet worden geoordeeld. De kantonrechter wijst daarom voor de boordlader het gevorderde bedrag aan schadevergoeding toe van € 2.020,83.

[gedaagde] moet ook de reparatiekosten van de sleutels voldoen

3.15

[eiser] vordert verder vergoeding van € 594,98 voor de reparatie van twee sleutels. [eiser] stelt dat hij bij de sleuteloverdracht drie sleutels heeft ontvangen. De sleutels communiceerden niet met de auto waardoor het digitale eigenaarschap van de auto niet kon worden overgezet. De sleutels zijn door [gedaagde] aan [eiser] meegegeven met de mededeling dat [eiser] ze moest laten repareren en dat [gedaagde] de kosten hiervan zou voldoen.

3.16

Volgens [gedaagde] heeft hij aangeboden om de sleutels te vergoeden als ze daadwerkelijk zijn gerepareerd. [eiser] heeft dan ook geen belang bij dit deel van zijn vordering.

3.17

[eiser] heeft één sleutel laten maken en de nota hiervan naar [gedaagde] gezonden. Desondanks is [gedaagde] niet overgegaan tot betaling daarvan. Omdat [gedaagde] ondanks zijn erkenning niet is overgegaan tot betaling van de reparatie van de sleutel, heeft [eiser] voldoende belang bij zijn vordering. [eiser] heeft ook voldoende gesteld dat omdat [gedaagde] de eerste sleutel niet heeft voldaan, hij heeft gewacht met het laten repareren van de tweede sleutel.

3.18

[gedaagde] erkent dat hij de reparatie van de sleutels moet voldoen. Omdat [eiser] de kosten van de reparatie van de sleutels verder voldoende heeft onderbouwd, komt dit deel van de vordering eveneens voor toewijzing in aanmerking.

[gedaagde] moet wettelijke rente te betalen

3.19

De over beide bedragen gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen. [eiser] heeft [gedaagde] op 6 februari 2026 een termijn van 14 dagen gegeven om de boordlader en de sleutels te herstellen. [gedaagde] heeft op 8 februari 2026 laten weten dat zij niet over zou gaan tot herstel. [gedaagde] is vanaf dat moment in verzuim. Vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is, is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd over het aan [eiser] verschuldigde bedrag. Of [eiser] op dat moment de boordlader en sleutels heeft laten herstellen of nog niet, is daarvoor niet van belang.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.20

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Anders dan [gedaagde] meent, komen buitengerechtelijke kosten wel degelijk voor vergoeding in aanmerking, ook als iemand zijn eigen belangen behartigt.

3.21

Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten). De hoogte van de vordering heeft de kantonrechter getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het bedrag van € 386,58 kan worden toegewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.22

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser] procedeert in persoon en heeft daarom geen recht op vergoeding voor het salaris van een gemachtigde. [eiser] is ook niet op een rolzitting verschenen om mondeling een reactie te geven, zodat er ook geen verletkosten zijn gemaakt.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€155,67
- griffierecht€265,00
- verletkosten€0,00
Totaal€420,67
3.23

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.24

De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat het vonnis moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen dit vonnis. Het vonnis van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 10 dagen na vandaag te betalen een bedrag van € 2.615,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 10 dagen na vandaag te betalen een bedrag van € 386,58 aan buitengerechtelijke kosten,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 420,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.