Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7181Zaaknummer 12142232 \ UC EXPL 26-2300

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
12142232 \ UC EXPL 26-2300
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Facturen onderaannemer/aannemer en tegenvordering.

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.953,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 822,65 aan buitengerechtelijke kosten,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.779,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.6

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

4.7

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 180,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

4.8

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan (één van) de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.9

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.4, 4.7 en 4.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12142232 \ UC EXPL 26-2300 RvdH/1037

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende in [woonplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: J.M. Vieira van Willems Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

[gedaagde] BV,

gevestigd in [vestigingsplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 0 tot en met 12,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

met producties 1 tot en met 22,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2

Op 26 augustus 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] is samen met zijn gemachtigde verschenen. Voor [gedaagde] zijn de heren [A] en [B] verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2 De kern van de zaak

[gedaagde] heeft [eiser] ingeschakeld als onderaannemer. [eiser] heeft stucwerk verricht in één van de projecten van [gedaagde]. Naast de slottermijn vordert [eiser] betaling van meerwerkfacturen en van een deskundigenonderzoek. [gedaagde] was niet tevreden over het werk. Zij heeft de slottermijn niet betaald, omdat zij kosten heeft gemaakt om het werk te herstellen. Volgens [gedaagde] is er geen meerwerk overeengekomen en is zij pas in de aanloop naar deze procedure bekend geraakt met deze facturen. Zij wil die kosten daarom niet betalen. Ook de kosten voor het deskundigenonderzoek wil [gedaagde] niet betalen. [gedaagde] wil van [eiser] juist haar schade vergoed krijgen. De kantonrechter wijst een deel van de vorderingen van [eiser] toe en wijst de vordering van [gedaagde] af.

3 De beoordeling

in conventie (de vorderingen van [eiser])

[gedaagde] moet € 8.953,00 betalen aan hoofdsom

3.1

[gedaagde] heeft betaling gevorderd van € 17.849,30, te vermeerderen met wettelijke rente over € 14.982,24 vanaf 19 februari 2026. Dit bedrag is opgebouwd uit € 31.982,24 in de hoofdsom, wettelijke rente berekend tot 19 februari 2026 en buitengerechtelijke incassokosten minus al verrichte betalingen tot een bedrag van € 17.000,00.

3.2

[gedaagde] moet € 8.953,00 aan [eiser] betalen, op grond van de aanneemovereenkomst en een aanvullende opdracht. [gedaagde] heeft geen tegenvordering die zij kan verrekenen.

Factuur 2024-204 en deel van 2025-05: overeengekomen aanneemsom

Termijn van de overeengekomen aanneemsom

3.3

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een aanneemsom van € 23.500,00 zijn overeengekomen. Ook zijn zij het erover eens dat zij hebben afgesproken dat [eiser] twee wanden in de grote badkamer zou stucen en dat die werkzaamheden meerwerk zijn.

3.4

De factuur met nummer 2024-204 (€ 6.000,00) en een deel van 2025-05 (€ 500,00) zien op de overeengekomen aanneemsom Het staat vast dat [eiser] het werk heeft verricht en daarom moet [gedaagde] deze bedragen in beginsel betalen.

Het werk moet als opgeleverd worden beschouwd

3.5

[gedaagde] voert in de eerste plaats aan dat de laatste termijnen van de aanneemsom niet opeisbaar zijn, omdat het werk niet is opgeleverd.[_7f8d5b92-8248-426f-81d9-f8b11cd631c5] De kantonrechter is van oordeel dat de vordering wel opeisbaar is omdat het werk als opgeleverd moet worden beschouwd, ondanks dat partijen niet de opleverprocedure uit de voorwaarden van [gedaagde] hebben gevolgd. Daarbij zijn de volgende omstandigheden relevant:

  • [gedaagde] heeft eerst [eiser] gevraagd om (na het afronden van het werk) herstelwerkzaamheden te verrichten.
  • [gedaagde] heeft deze herstelwerkzaamheden uiteindelijk door een derde laten verrichten.
  • Er hebben werkzaamheden aan het werk van [eiser] plaatsgevonden.
  • Het werk is opgeleverd aan de opdrachtgever van [gedaagde] (hierna ook: [C] ).

Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet

3.6

[gedaagde] voert in de tweede plaats aan dat zij een vordering op [eiser] heeft die zij kan verrekenen met de laatste termijnen van de aanneemsom. De kantonrechter komt – na nadere bestudering van de processtukken – tot de conclusie dat het beroep van [gedaagde] op verrekening niet slaagt, omdat zij geen vordering op [eiser] heeft waarvan zij nu betaling kan vragen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

 Herstel van het werk in algemeen: schadepost van € 6.357,00

3.7

[gedaagde] stelt dat er gebreken zijn aan het werk, dat zij die door derden heeft laten herstellen en dat zij daardoor kosten heeft moeten maken. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om deugdelijk werk te leveren en dat zij daardoor schade ter hoogte van € 6.357,00 heeft geleden.[_719355a8-8503-4085-8cd7-108396becb84][gedaagde] heeft [eiser] meerdere keren aangesproken en verzocht de gebreken te herstellen. [eiser] heeft kennelijk ook herstelwerkzaamheden verricht, maar niet naar tevredenheid van [gedaagde].

3.8

Op 6 februari 2025 om ca. 11.56 uur laat een medewerker van [gedaagde] per e-mail aan [eiser] weten dat het stucwerk niet naar behoren is opgeleverd en dat de wanden die zijn hersteld, niet zijn zoals het hoort. De medewerker van [gedaagde] zegt dat zij [eiser] al een keer of vijf de mogelijkheid heeft gegeven om het op te lossen, maar dat [eiser] daar niet in slaagt en dat zij daarom een andere stucadoor zullen vragen een en ander te herstellen. De medewerker van [gedaagde] somt hierna de kosten op en zegt dat [gedaagde] de laatst ontvangen facturen niet gaat betalen, zolang er geen creditfactuur voor die kosten door [eiser] is opgemaakt.

3.9

Dat het werk aanvankelijk niet deugdelijk is verricht, wordt niet betwist. Partijen zijn het er ook over eens dat [eiser] meerdere keren is langs geweest om gebreken te herstellen. De vraag is of het duidelijk is welke gebreken er op 6 februari 2025 nog waren en of [eiser] voldoende in de gelegenheid is gesteld om die gebreken te herstellen.

3.10

De kantonrechter is van oordeel dat het onvoldoende duidelijk is welke gebreken er op 6 februari 2025 nog waren. Dat [gedaagde] niet tevreden was of het werk ondermaats vond, is niet concreet genoeg om in een juridische procedure vast te stellen wat op dat moment nog van [eiser] werd verwacht. Ook is [eiser] met het bericht van 6 februari 2025 onvoldoende geïnformeerd over wat er op dat moment nog schortte aan het werk[_9846a6e4-bdb0-405e-a4f3-d8a1b1fadb30] en daarmee is niet gebleken of [eiser] ook voldoende gelegenheid heeft gehad om die concrete gebreken te herstellen. Daardoor is er geen sprake van verzuim ten aanzien van de gebreken die er op 6 februari 2025 waren. Verzuim is één van de vereisten voor toewijzing van een schadevergoeding en omdat die voorwaarde in dit geval niet is vervuld, kan [gedaagde] de door haar gestelde schade van € 6.357,00 niet op [eiser] verhalen.

3.11

De kantonrechter heeft begrepen dat [gedaagde] onder tijdsdruk stond door een boeteclausule die zij met haar opdrachtgever was overeengekomen. Hoewel [gedaagde] daardoor in een lastige situatie is terechtgekomen, had zij dit kunnen oplossen door [eiser] eveneens een duidelijke termijn te geven met daarbij een duidelijke instructie wat zij nog van [eiser] verlangde. Dat [gedaagde] hier niet voor heeft gekozen, komt voor haar rekening.

 Herstel niet rechte muur: schadepost van € 2.175,00

3.12

De tweede vordering die [gedaagde] stelt te kunnen verrekenen is een schadevergoeding ter hoogte van € 2.175,00.[_408b2921-1d8f-4136-ae76-6a8ec3e96337] Deze vordering heeft betrekking op kwaliteitsproblemen die [gedaagde] op 19 februari 2025 aan [eiser] heeft gemeld.[_1da57ba4-bc0f-4ee1-b300-47098454a26e] De medewerker van [gedaagde] schrijft dat er een muur niet recht is gestuct. Dit blijkt bij het plaatsen van een stalen pui tegen die muur. [eiser] reageert op diezelfde datum: ‘Vervelend dat na gezamenlijke controle met [D (voornaam)] en [E (voornaam)] dit toch niet blijkt aan te sluiten. Wil je dat wij dit herstelwerk oppakken?’. De medewerker van [gedaagde] laat hierna weten dat zij dat door iemand anders laten doen.

3.13

Hoewel [eiser] op zitting heeft gezegd dat dit gebrek hem niet bekend is, blijkt uit zijn e-mail het tegenovergestelde. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit gebrek bij [eiser] bekend was. Ook nu is de vraag of [eiser] in verzuim verkeert. De kantonrechter oordeelt van niet en daarbij is het volgende van belang.

3.14

Het is duidelijk dat [gedaagde] [eiser] bij haar melding van 19 februari 2025 geen gelegenheid heeft gegeven om het gebrek op te lossen. [eiser] zegt weliswaar niet dat hij het gaat oplossen, maar hij vraagt wel of hij het moet doen en wat later vraagt hij wat de kosten zijn voor herstel door een ander.[_097b1369-47d8-4c35-ae7f-b3fc067c494a] [eiser] stond hij er dus voor open om het zelf te herstellen. Niet is gebleken dat [gedaagde] die kosten heeft opgegeven voordat die zijn gemaakt, zodat zij [eiser] niet de mogelijkheid heeft gegeven om te kiezen of hij het zelf wilde herstellen of nadere afspraken wilde maken. Dat er nadere afspraken zijn gemaakt, is evenmin gebleken. De grondslag voor een vordering tot vergoeding van de schade door [eiser] ontbreekt daardoor. Het bedrag van € 2.175,00 komt niet voor verrekening in aanmerking.

Restant factuur 2025-05: niet gebleken dat deze posten zijn overeengekomen

3.15

De factuur 2025-05 heeft voor € 500,00 betrekking op de oorspronkelijke opdracht. Zoals onder 3.4 is overwogen wordt dit deel van deze factuur toegewezen. Voor het restant (€ 4.103,75 -/- € 500,00 = € 3.603,75) geldt dat de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde] dat niet hoeft te betalen.

3.16

[eiser] stelt dat de posten op de factuur zien op kosten die op grond van de aanneemovereenkomst boven op de vaste aanneemsom in rekening gebracht mochten worden. Hij zegt dat dit in de offertebrief staat, maar die heeft [eiser] niet in het geding gebracht. [eiser] heeft ook niet toegelicht hoe de offertebrief zich verhoudt tot de daarna gesloten overeenkomst. [gedaagde] betwist dat deze kosten op grond van de overeenkomst in rekening mochten worden gebracht. De kantonrechter constateert dat in de overeenkomst inderdaad niet staat dat [eiser] nog extra kosten – naast de vaste aanneemsom – in rekening mocht brengen, behalve het meerwerk voor de twee wanden in de grote badkamer.

3.17

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [eiser] deze kosten op grond van de overeenkomst in rekening mocht brengen en daarom wordt de vordering van [eiser] voor dit deel afgewezen.

Factuur 2025-14: niet toewijsbaar

3.18

Factuur 2025-14 ziet op een bedrag van € 937,19 aan meerwerk. [gedaagde] hoeft deze factuur niet te betalen, omdat niet vast is komen staan dat dit meerwerk is overeengekomen. [eiser] heeft daarvoor gesteld dat hij dit meerwerk mondeling is overeengekomen met [E (voornaam)], een medewerker van [gedaagde]. [gedaagde] betwist dit en heeft verklaard dat [E (voornaam)] niet bevoegd is tot het sluiten van overeenkomsten. Omdat [eiser] het bestaan van deze meerwerk-afspraak op geen enkele manier heeft onderbouwd, wordt [eiser] niet toegelaten tot het leveren van nader bewijs en wordt dit deel van de vordering afgewezen.

Factuur 2025-59: kosten deskundigenonderzoek voor rekening van [eiser]

3.19

[eiser] vordert ook betaling van de kosten (voor het bijwonen) van het deskundigenonderzoek ter hoogte van € 1.488,30 (factuur 2025-59). Als er een grondslag is voor het toekennen van een schadevergoeding, kunnen op grond van de wet[_eccb197e-ab65-422f-8dbe-6bb3fe7947e2] kosten voor deskundigen voor vergoeding in aanmerking komen bij het bepalen van de hoogte van de geleden schade, als die zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [eiser] heeft niet gesteld dat hij deze kosten heeft gemaakt ter vaststelling van schade. Het is niet duidelijk geworden wat [eiser] met het laten opstellen van het rapport wilde bereiken, omdat de deskundige het werk heeft nadat een derde herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De deskundige heeft dus niets gezegd en ook niet kunnen zeggen over de kwaliteit van de door [eiser] verrichte werkzaamheden. Er is geen (juridische) reden om deze kosten bij [gedaagde] in rekening te brengen. Ook dit deel van de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

Factuur 2025-62: reparatiewerk spotlampen voor rekening van [gedaagde]

3.20

De laatste factuur (2025-62) ziet op ‘reparatiewerkzaamheden spotlampen’ en beloopt een bedrag van € 2.453,00. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] dit bedrag aan [eiser] moet betalen, omdat deze werkzaamheden niet onder de vaste aanneemsom vallen en wel zijn verricht nadat [gedaagde] daartoe opdracht heeft gegeven.

3.21

[eiser] stelt dat hij stucwerkzaamheden heeft verricht aan het plafond en dat ná het uitvoeren van deze werkzaamheden gaten in het plafond zijn gemaakt voor de spotlampen, die nog opgehangen moesten worden. De gemaakte gaten bleken te groot voor de spots en daarom moesten er herstelwerkzaamheden aan het stucwerk op het plafond worden verricht. [eiser] stelt dat hij daartoe opdracht heeft gekregen van [gedaagde] en dat [gedaagde] de maatvoering van de spots heeft doorgegeven, waarna de gaten met kokers zijn verkleind en het plafond op basis daarvan is gestuct.

3.22

[gedaagde] voert aan dat dit niet een logische gang van zaken is, maar zij is er ook niet zeker van hoe het wel is gegaan. Dat maakt dat de kantonrechter uitgaat van de feitelijke gang van zaken zoals [eiser] die heeft beschreven. In dat geval is er geen sprake van herstel van gebrekkig werk of werk onder garantie, zoals [gedaagde] aanvoert, maar van een nadere overeenkomst/meerwerk op grond waarvan [eiser] de problemen oplost die door een derde zijn veroorzaakt. [eiser] mag daarvoor een redelijke prijs in rekening brengen, ook als dat niet expliciet van tevoren is afgesproken. [gedaagde] had onder deze omstandigheden immers moeten begrijpen dat zulke werkzaamheden nadere kosten met zich meebrengen. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de kosten onredelijk zijn. De vordering tot betaling van deze factuur wordt daarom toegewezen.

[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen

3.23

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van wettelijke handelsrente over een bedrag van € 14.982,24 vanaf 19 februari 2026. Dit bedrag is het totaal van de facturen waarvan [eiser] in deze procedure betaling heeft gevorderd. Niet gesteld is dat eerdere in rekening gebrachte facturen niet zijn tijdig zijn betaald. De door [eiser] gevorderde hoofdsom wordt toegewezen tot een bedrag van € 8.953,00. Dit bedrag bestaat uit de facturen met nummers 2024-204, 2025-05 (tot het bedrag van € 500,00) en 2025-62. Omdat [gedaagde] deze facturen niet op tijd heeft betaald, is zij de wettelijke handelsrente verschuldigd met ingang van de vervaldata van de facturen tot de voldoening.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.24

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 822,65 worden toegewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.25

[gedaagde] is in overwegende mate in het ongelijk gesteld. [eiser] moest deze procedure beginnen om betaling van zijn facturen te kunnen krijgen. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dat [eiser] haar aanvankelijk heeft gesommeerd voor een ander (hoger) bedrag maakt dat niet anders. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€162,65
- griffierecht€753,00
- salaris gemachtigde€720,00(2 punten × € 360,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.779,65
3.26

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie (de vorderingen van [gedaagde])

De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen

3.27

[gedaagde] vordert betaling van € 5.765,75. Dat bedrag is het resultaat van de kosten die [gedaagde] volgens haar berekening aan [eiser] moet betalen, minus de (eerder besproken) schadeposten van [gedaagde] en de betaling die ze al deed. Ten aanzien van de schadeposten ter hoogte van € 6.357,00 en € 2.175,00 verwijst de kantonrechter naar de overwegingen onder 3.7 tot en met 3.14 De andere schadeposten van [gedaagde] zijn:

  • € 1.800,00 voor de reparaties van de huidige scheuren in het stucwerk, en
  • € 2.350,00 als billijke vergoeding voor de afkoop van garantieverplichtingen door [eiser].
3.28

Voor toewijzing van deze posten bestaat geen grondslag. [eiser] is niet in de gelegenheid gesteld om de huidige scheuren in het stucwerk te herstellen. Dat [gedaagde] geen vertrouwen meer heeft in de kwaliteit van het werk van [eiser], maakt niet dat er direct een verbintenis is ontstaan tot vergoeding van schade in plaats van herstel en evenmin voor het afkopen van de garantieverplichting. Dit betekent dat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.

[gedaagde] moet ook de proceskosten in reconventie betalen

3.29

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- salaris gemachtigde€180,00(1 punt × factor 0,5 × € 360,00)
Totaal€180,00

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.953,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 822,65 aan buitengerechtelijke kosten,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.779,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.6

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

4.7

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 180,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

4.8

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan (één van) de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.9

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.4, 4.7 en 4.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Artikel 10.2 van de voorwaarden voor inkoop- en onderaanneming van [gedaagde].
  2. Deze schade is begroot in de e-mail van 13 februari 2025 van [B] (namens [gedaagde]) aan [eiser] (productie 6 bij de conclusie van antwoord).
  3. [eiser] heeft op 11 februari 2025 per e-mail onder andere gevraagd of [gedaagde] kan aangeven welke specifieke punten nog niet naar tevredenheid zijn opgelost.
  4. Productie 20 bij de conclusie van antwoord.
  5. Zie productie 7 bij de conclusie van antwoord.
  6. Zie productie 8 en 9 bij de conclusie van antwoord: nadat [B] namens [gedaagde] op 19 februari 2025 om 12.31 uur zegt dat zij het herstelwerk door iemand anders laten doen, reageert [eiser] op diezelfde datum om 17.09 uur met de vraag wat de kosten daarvan zijn.
  7. Artikel 6:96 lid 1 sub b BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.