Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6955Zaaknummer 12285515 \ MC EXPL 26-3405
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12285515 \ MC EXPL 26-3405
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almere
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurachterstand. Ontbinding huurovereenkomst vooralsnog afgewezen in verband met niet tijdige melding gemeente en aanwezigheid vier minderjarige kinderen
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling aan [eiseres] van:
- € 15.230,35 aan huurachterstand, de overeengekomen waarborgsom en door [eiseres] gemaakte kosten voor door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruikte nutsvoorzieningen tot 1 oktober 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.412,00 vanaf 25 mei 2026 tot de dag waarop alles is betaald, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen;
- € 909,21 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de proceskosten van [eiseres], ter grootte van € 1.577,10, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan het vonnis voldoen en het vonnis daarna door een deurwaarder wordt betekend, dan moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook de kosten van betekening betalen;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat er meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op
7 oktober 2026.
153
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12285515 \ MC EXPL 26-3405
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres].
gemachtigde: mr. P.G.Th.M. Visser-van Daal,
tegen
1.[gedaagde sub 1],
te [plaats 2] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].
1 Het verloop van de procedure
[eiseres] heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op de dagvaarding geantwoord. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden.
De zaak is bij de kantonrechter besproken op 17 september 2026. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2 Waar het in deze zaak om gaat
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren van [eiseres] de woning aan het adres [adres] in [plaats 2]. De huur is (op dit moment) € 2.500,00 per maand en moet worden vooruitbetaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een huurachterstand.
[eiseres] vordert – kort gezegd – ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van de woning. Ook eist zij betaling van de huurachterstand inclusief nutsvoorzieningen (tot en met september 2026 € 10.230,35), de overeengekomen waarborgsom (€ 5.000,00) en door [eiseres] gemaakte kosten voor door gedaagden gebuikte nutsvoorzieningen met rente en kosten.
Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt het dat er een huurachterstand is. Zij kunnen door financiële en andere persoonlijke omstandigheden de huurachterstand niet betalen.
3 De beoordeling
Wat oordeelt de kantonrechter?
De gevorderde ontbinding en ontruiming wordt afgewezen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoeven de woning (nog) niet te verlaten.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten wel de huurachterstand, de wettelijke rente daarover, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De huurachterstand, waarborgsom en nutsvoorzieningen
[eiseres] noemt in de dagvaarding een bedrag van € 7.528,24,00 per 1 juni 2026 aan huurachterstand, de overeengekomen waarborgsom en door [eiseres] gemaakte kosten voor door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruikte nutsvoorzieningen. Tijdens de mondelinge behandeling noemt [eiseres] een bedrag van € 10.230,35 aan huurachterstand, de overeengekomen waarborgsom van € 5.000,00 en door [eiseres] inclusief gemaakte kosten voor door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruikte nutsvoorzieningen. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt dit bedrag. De kantonrechter zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom veroordelen om dit bedrag van € 15.230,35 aan [eiseres] te betalen.
(Nog) geen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
[eiseres] heeft haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning gehandhaafd, omdat zij er geen vertrouwen meer in heeft dat er afspraken met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen worden gemaakt, die zij ook nakomen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat zij vier minderjarige kinderen hebben en met elkaar in de woning wonen, en dat [eiseres] hun belangen niet heeft meegewogen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangegeven dat zij op korte termijn weer inkomsten verwachten waarmee zij de lopende huurtermijnen kunnen betalen en een betalingsregeling met [eiseres] kunnen afspreken voor de huurachterstand, de overeengekomen waarborgsom en door [eiseres] gemaakte kosten voor door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruikte nutsvoorzieningen.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat het belang van de vier minderjarige kinderen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op grond van artikel 3 lid 1 IVRK voorop. Dit betekent echter niet dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een ongeclausuleerd recht hebben om in de woning te blijven wonen zonder huur te betalen. Het ligt immers op de weg van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouder om ervoor te zorgen dat zij hun woning ook in het belang van hun kinderen niet op het spel zetten. Meestal is een huurachterstand van drie maanden of meer een tekortkoming die ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Bij aanwezigheid van minderjarige kinderen in de huurwoning wordt er in beginsel een langere ontruimingstermijn van twee maanden uitgesproken.
De kantonrechter moet echter alle omstandigheden afwegen. In artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening staat dat de verhuurder zich in geval van een huurschuld inspant om in persoonlijk contact te treden met de huurder, de huurder wijst op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening en hem ten minste eenmaal schriftelijk herinnert aan de betalingsachterstand en bij die schriftelijke herinnering aanbiedt om met schriftelijke toestemming van de huurder zijn contactgegevens te verstrekken aan de gemeente. Als de huurder daarop niet afwijzend reageert, verstrekt de verhuurder de huurschuld en de contactgegevens van de huurder aan de gemeente. Deze melding aan de gemeente heeft tot doel de schuldhulpverlening op gang te brengen zodat (een procedure tot) ontbinding en ontruiming voorkomen kan worden. Dit betekent dat na de melding een redelijke termijn in acht moet worden genomen om opvolging te kunnen geven aan de melding. De kantonrechter is van oordeel dat in dit kader een termijn van twee maanden redelijk is.
Uit de dagvaarding en overgelegde producties blijkt dat de eisende partij de gegevens van de gedaagde partij en de huurschuld aan de gemeente heeft gemeld, maar dat deze melding is gedaan binnen een periode van twee maanden voor het uitbrengen van de dagvaarding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het belang van het aanhouden van een redelijke termijn na een melding en zonder nadere toelichting die ontbreekt, gaat de kantonrechter er in dit geval van uit dat de gemeentelijke schuldhulpverlening (nog) niet (voldoende) op gang heeft kunnen komen. Dat betekent dat niet uitgesloten kan worden dat de huurachterstand een halt toegeroepen kan worden als de schuldhulpverlening op gang komt en ook de huurachterstand op een gepaste wijze zou kunnen worden ingelopen. Om die reden vindt de kantonrechter op dit moment een ontbinding van de huurovereenkomst in strijd met de gerechtvaardigde belangen van huurder bij behoud van een dak boven zijn hoofd.
Gelet op voormelde omstandigheden zal de kantonrechter de vordering tot ontbinding en ontruiming vooralsnog afwijzen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mogen dus (voorlopig) in de woning blijven wonen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten er wel rekening mee houden dat, indien de huurachterstand niet op korte termijn wordt ingelopen en de lopende termijnen niet worden voldaan, de ontbinding van de huurovereenkomst wel wordt uitgesproken wegens herhaalde wanprestatie, ook indien de huurachterstand minder dan drie maanden bedraagt.
Ambtshalve toetsing bedingen
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf ( [eiseres]) en consumenten ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van het Burgerlijk Wetboek, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen. In deze procedure gaat het met name om bedingen over rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ook het boetebeding is relevant.
Rente
De kantonrechter heeft geconstateerd dat in de overeenkomst of in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden geen rentebeding is opgenomen. [eiseres] vordert de wettelijke rente vanaf 25 mei 2026 over € 7.412,00 tot en met de dag waarop de achterstand volledig is betaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hier geen bezwaar tegen gemaakt. Deze rente moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom ook betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De kantonrechter heeft geconstateerd dat in de overeenkomst of in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden geen incassokostenbeding is opgenomen. [eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 909,21. [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen, omdat zij ongelijk hebben gekregen. De kosten van [eiseres] zijn de volgende:
- dagvaarding € 154,10
- griffierecht € 559,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.577,10
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling aan [eiseres] van:
- € 15.230,35 aan huurachterstand, de overeengekomen waarborgsom en door [eiseres] gemaakte kosten voor door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruikte nutsvoorzieningen tot 1 oktober 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.412,00 vanaf 25 mei 2026 tot de dag waarop alles is betaald, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen;
- € 909,21 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de proceskosten van [eiseres], ter grootte van € 1.577,10, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan het vonnis voldoen en het vonnis daarna door een deurwaarder wordt betekend, dan moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook de kosten van betekening betalen;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat er meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op
7 oktober 2026.
153
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.