Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 1 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6879Zaaknummer UTR 26/6959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
1 september 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/6959
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter verweerder te verbieden haar bezwaar door middel van ambtelijk horen af te doen en verweerder te gelasten het verzoek voor te leggen aan de BAC. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, omdat tegen deze beslissing van verweerder op grond van artikel 6:3 Awb geen bezwaar of beroep openstaat. Verzoekster wordt ook niet rechtstreeks in haar belang getroffen door de beslissing van verweerder. Van een onomkeerbaar procedureel nadeel is geen sprake.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
  2. Dienst Toeslagen, verweerder
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6959

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Kartal),

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster over het ambtelijk horen door verweerder over haar bezwaar van 26 februari 2024 tegen het besluit van 10 januari 2024 (het bestreden besluit).

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  • Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  • Verzoekster heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en verzocht om een integrale herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Bij besluit van 10 januari 2024 heeft verweerder beslist dat verzoekster geen recht heeft op een vergoeding. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
  • Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om verweerder te verbieden haar bezwaar door middel van ambtelijk horen af te doen en verweerder op te dragen om het bezwaar voor advies voor te leggen aan de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie (BAC).
  • De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster daarmee feitelijk opkomt tegen de wijze van afdoening van haar bezwaar. In artikel 6:3 van de Awb staat dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor het te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. De beslissing van verweerder over de wijze waarop verzoekster wordt gehoord, is een dergelijke beslissing, zodat daartegen op grond van artikel 6:3 van de Awb in beginsel geen bezwaar open staat. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekster niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door de beslissing van verweerder om haar ambtelijk te horen. De manier waarop verweerder invulling geeft aan de hoorplicht kan aan de orde komen in een eventuele beroepsprocedure tegen de nog te nemen beslissing op het bezwaar. Als in die procedure wordt vastgesteld dat verzoekster ten onrechte niet door de BAC is gehoord, kan verweerder worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij dit gebrek alsnog wordt hersteld. Van een onomkeerbaar procedureel nadeel, zoals verzoekster stelt, is dan ook geen sprake.
  • Verzoekster heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat de beslissing over het ambtelijk horen als voorbereidingshandeling kwalificeert, niet in de weg staat aan een verzoek om voorlopige voorziening dat hangende de reeds lopende bezwaarprocedure wordt gedaan. De connexiteit wordt volgens verzoekster immers niet ontleend aan een zelfstandig appellabel karakter van de voorbereidingshandeling, maar aan het aanhangig bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2024.
  • De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het vereiste van de materiële connexiteit niet wordt voldaan. De materiële connexiteit houdt in dat wat iemand met een verzoek wil bereiken ook betrekking moet hebben op de inhoud van het bestreden besluit. Daarvan is geen sprake. Het bestreden besluit gaat immers over het weigeren van een vergoeding en niet over de heroverweging in bezwaar van die weigering. Het al dan niet horen door de BAC in de bezwaarprocedure raakt niet aan de inhoud en de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.