Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 24 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6870Zaaknummer UTR 26/5546

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/5546
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT WOO verzoek gegrond

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspaak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/5546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

(gemachtigde: S.H. Springer)

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 25 mei 2026, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 5 december 2025 om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiser heeft op 5 december 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder heeft het Woo-verzoek ontvangen op 8 december 2025. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken beslissen op het Woo-verzoek. Bij e-mail van 24 december 2025 heeft verweerder de ontvangst van het Woo-verzoek bevestigd en heeft hij de beslistermijn op grond van artikel 4:15 van de Awb jo. artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo opgeschort tot en met 7 januari 2026 in verband met het preciseringsverzoek. Op 6 januari 2026 heeft eiser het verzoek gepreciseerd.

Verweerder had dus uiterlijk 19 januari 2026 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 6 mei 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 25 mei 2026 beroep ingesteld.

4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).

5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 11 juni 2026 aan dat de overschrijding van de beslistermijn is gelegen in de grote hoeveelheid ingediende Woo-verzoeken. Vanwege de omvang van de verzoeken is de afhandelingstermijn ook erg lang. Ten aanzien van het Woo-verzoek van eiser geeft verweerder aan dat de documenten, die mogelijk onder de reikwijdte van het verzoek vallen, worden geïnventariseerd. Deze zullen daarna nog moeten worden beoordeeld en eventueel ter zienswijze aan derde-belanghebbenden worden voorgelegd. Pas daarna zal het conceptbesluit kunnen worden opgesteld. Verweerder verzoekt daarom om een langere beslistermijn van twaalf weken na dagtekening van zijn verweerschrift.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar een toelichting heeft gegeven over waarom de behandeling van het Woo-verzoek langer duurt en wat globaal de stand van zaken is en wat er nog moet gebeuren, maar verweerder heeft niet een duidelijk tijdpad geschetst waaruit blijkt welke stappen nog precies moeten worden gezet, hoeveel werk dit oplevert en hoeveel tijd nodig is voor iedere stap. Dat en waarom er daadwerkelijk nog twaalf weken nodig zijn voordat een besluit kan worden genomen, is dan ook onvoldoende duidelijk geworden. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, zijn inmiddels zes weken verstreken na indiening van het verweerschrift. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op de door verweerder verzochte twaalf weken. Gelet hierop, stelt de rechtbank de beslistermijn vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).

9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspaak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.