Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6854Zaaknummer UTR 26/7204
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/7204
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoekster heeft niet inhoudelijk gereageerd op de verzoeken van de rechtbank. Het verozek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/7204
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
Vereniging [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: M. Kasimberg),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere
(gemachtigde: mr. L. Knol).
Waar gaat deze zaak over?
Verzoekster heeft bij brief van 24 februari 2026 jaar diensten aangeboden aan de gemeente Almere met betrekking tot rituele bewassing en laatste zorg in het kader van gemeentelijke uitvaarten. Het college heeft bij brief van 19 mei 2026 gereageerd op het aanbod van verzoekster. Hiertegen heeft verzoekster op 22 mei 2026 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is door het college kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 19 mei 2026 volgens het college niet aangemerkt kan worden als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Verzoekster is het daar niet mee eens en heeft op 18 augustus 2026 beroep ingediend. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:6 van de Awb kan dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Bij dit soort vereisten voor het in behandeling nemen van een verzoek om voorlopige voorziening gaat het onder meer erom dat een verzoeker duidelijk moet maken dat hij spoedeisend belang heeft, wat de gronden zijn van zijn verzoek en wat hij met zijn verzoek beoogt. Voor rechtspersonen, zoals verenigingen, geldt dat zij een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel moeten overleggen zodat de rechtbank kan zien welke personen de rechtspersoon rechtsgeldig kunnen vertegenwoordigen.
2. De rechtbank heeft bij brief van 19 augustus 2026 aan verzoekster verzocht om concreet aan te geven wat verzoekster beoogt te bereiken met het verzoek om voorlopige voorziening. In dat licht heeft de rechtbank ook verzocht om nader te onderbouwen wat het spoedeisend belang is in de procedure. In die brief is ook aangegeven dat het verzoek niet ontvankelijk verklaard kan worden als verzoekster niet reageert. Daar heeft verzoekster niet op gereageerd.
3. Bij e-mailbericht van 25 augustus 2026 heeft verzoekster verzocht om vrijstelling van het griffierecht.
4. Bij brief van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank gereageerd op het verzoek om vrijstelling van het griffierecht. In die brief staat ook dat bij betalingsonmacht van de vereniging de bij de vereniging betrokken bestuurders de financiële middelen geacht worden aan te vullen.[_007352ce-b6f5-44d1-9320-a20489434ebd] Als dat niet mogelijk is, kunnen de bestuurders formulieren met verklaring over inkomen en/of vermogen invullen. Verder heeft de rechtbank in die brief verzocht en om een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel waaruit blijkt welke natuurlijke personen bevoegd zijn om namens verzoekster het verzoek en het beroep in te dienen. De rechtbank heeft verzoekster een termijn gegeven van een week om te reageren op de brief. Hierop is geen reactie gekomen, waarna de rechtbank op 18 september 2026 een rappel heeft gestuurd om uiterlijk binnen een week te reageren.
5. Verzoekster heeft hierop per e-mailbericht van 22 september 2026 gereageerd. In dit e-mailbericht heeft verzoekster aangegeven dat het haar niet de bedoeling lijkt dat privégegevens worden gedeeld voor het betalen van griffierecht omdat het een verenigingszaak is. Ook heeft verzoekster aangegeven dat zij een auto ongeluk heeft gehad waardoor zij verzoekt om aanhouding van de procedures.
6. Bij brief van 23 september 2026 heeft de rechtbank gereageerd op het e-mailbericht van verzoekster. Daarin heeft de rechtbank nogmaals gevraagd om te reageren op de eerdere verzoeken. De rechtbank heeft in de brief aangegeven geen reden om te zien om het verzoek om voorlopige voorziening aan te houden gelet op het spoedeisende karakter van een verzoek om voorlopige voorziening.
7. Hierop heeft verzoekster wederom een e-mailbericht gestuurd waarin zij aangeeft dat zij momenteel niet kan reageren op de vragen die zijn gesteld. Verzoekster gaat ervan uit dat de rechtbank begrip heeft voor haar persoonlijke situatie.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster niet heeft gereageerd op de verzoeken van de rechtbank. De rechtbank heeft gewezen op de uiterlijke termijn om te reageren op de verzoeken van de rechtbank. Verzoekster heeft echter niet inhoudelijk gereageerd. Verzoekster heeft dus niet voldaan aan deze verzoeken. Dat betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan de formele vereisten voor een verzoek om voorlopige voorziening.
9. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de gezondheidssituatie van verzoekster, is er geen reden om de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening aan te houden. Het had op de weg van verzoekster gelegen om zo nodig hulp in te schakelen als zij niet of onvoldoende in staat was om inhoudelijk te reageren op de verzoeken van de rechtbank. Bovendien gaat het om een voorlopige voorziening, waardoor aanhouding zich niet verhoudt met het spoedeisend karakter daarvan.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Zie de uitspraak van 7 juli 2021 van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2021:2202.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.