Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 2 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6839Zaaknummer UTR 26/3103

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/3103
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft op 2 oktober 2026 uitspraak gedaan op identieke verzoeken om een voorlopige voorziening van vier belangenorganisaties voor agrariërs. Zie ECLI:NL:RBMNE:2026:6712. In die uitspraak is geoordeeld dat de minister terecht heeft beslist dat de huisvestingsgegevens openbaar gemaakt worden, omdat het milieugegevens zijn die over emissie gaan. De minister heeft ook terecht beslist om de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken, omdat het milieugegevens zijn en de belangenafweging die de minister vervolgens heeft gemaakt in het voordeel van openbaarheid uitvalt. Wat de voorzieningenrechter heeft overwogen in de uitspraak van 2 oktober 2026 geldt ook voor de verzoeken die nu voorliggen. Daarmee hebben de beroepen van verzoekers geen redelijke kans van slagen. Ook de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf maakt, pakt niet in het voordeel van verzoekers uit. De verzoeken van 64 boerenbedrijven (die anoniem deelnemen aan de proceure) worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/1521 e.v. zie bijlage

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

64 agrarische bedrijven, verzoekers,

en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. J. van Essen en mr. S.F. Hu).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [plaats] ,(gemachtigden: mr. T.J. van Alten en [gemachtigde] ).

Samenvatting

  • Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de openbaarmaking van gegevens uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland en over openbaarmaking van gegevens over landgebruik. MOB heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van deze gegevens verzocht.
  • Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening die inhoudt dat de openbaarmaking van de gegevens wordt opgeschort totdat de rechter in de bodemzaken uitspraak heeft gedaan. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers af tegen het belang van de openbaarheid. Dit doet hij aan de hand van de gronden van verzoekers.

3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. De voorzieningenrechter heeft op 2 oktober 2026 uitspraak gedaan op identieke verzoeken om een voorlopige voorziening van vier belangenorganisaties voor agrariërs.[_b8f9eb3f-8288-4d2f-9b7d-1a4791c7a986] In die uitspraak is geoordeeld dat de minister terecht heeft beslist dat de huisvestingsgegevens openbaar gemaakt worden, omdat het milieugegevens zijn die over emissie gaan. De minister heeft ook terecht beslist om de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken, omdat het milieugegevens zijn en de belangenafweging die de minister vervolgens heeft gemaakt in het voordeel van openbaarheid uitvalt. Wat de voorzieningenrechter heeft overwogen in de uitspraak van 2 oktober 2026 geldt ook voor de verzoeken die nu voorliggen. Daarmee hebben de beroepen van verzoekers geen redelijke kans van slagen. Ook de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf maakt, pakt niet in het voordeel van verzoekers uit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

4. MOB heeft de minister op 10 februari 2023 verzocht om openbaarmaking van alle (historische) registraties over vergunde of werkelijke dieraantallen, emissies, stalsystemen, landgebruik en bemesting van gronden, waaronder de volgende registraties:- de gecombineerde opgave; - meitellingen, diertellingen of landbouwtellingen (voorgangers van deze registraties).

4.1.

De minister heeft het Woo-verzoek in zijn besluit van 24 maart 2025 afgewezen. Daartegen heeft MOB bezwaar gemaakt.

4.2.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de minister in de Staatscourant van 12 januari 2026[_c1bbaa4a-4ec9-4a1f-bfd3-046116bf7df1] kennisgegeven van zijn voornemen om de gevraagde gegevens alsnog openbaar te maken. Belanghebbenden konden tot en met 25 januari 2026 een zienswijze over de voorgenomen openbaarmaking geven. De minister heeft in reactie op deze publicatie één zienswijze ontvangen.

4.3.

In het bestreden besluit op bezwaar van 17 februari 2026 (het Woo-besluit) heeft de minister vervolgens besloten tot openbaarmaking van vier Excelbestanden.

4.4.

Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit. Zij hebben in eerste instantie bezwaar gemaakt bij de minister en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4.5.

De minister heeft de bezwaarschriften doorgestuurd aan de rechtbank om te behandelen als beroep, omdat het Woo-besluit van 17 februari 2026 een besluit op bezwaar is. Ook MOB heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.

4.6.

Een groot deel van de verzoekers heeft de voorzieningenrechter verzocht om anoniem te mogen procederen. Zij willen daarmee voorkomen dat hun namen bekend worden bij MOB en mogelijk bij anderen. De voorzieningenrechter heeft deze verzoeken voor alle verzoekers ingewilligd, omdat het geschil onder andere gaat over persoons- en/of bedrijfsgegevens. Daarom staan hun gegevens niet op deze uitspraak, maar zijn deze opgenomen in een bijlage, waarbij geldt dat MOB alleen een bijlage met zaaknummers ontvangt. Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk als een verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Dat is hier het geval. De voorzieningenrechter zal hierna toelichten hoe hij tot dit oordeel komt.

6. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze procedure of de verzoeken moeten worden toegewezen of moeten worden afgewezen. Daarvoor geeft hij een beoordeling van de kans van slagen van de beroepen van verzoekers. Daarnaast weegt hij de belangen van verzoekers bij een schorsing van het Woo-besluit af tegen het belang van openbaarheid. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter erover is dat het besluit in beroep standhoudt, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoekers bij het schorsen van het Woo-besluit.

7. In het Woo-besluit heeft de minister beslist tot openbaarmaking van vier Excelbestanden. Bestand 1 bevat huisvestingsgegevens, bestand 2 bevat landbouwtellinggegevens, bestand 3 bevat vraagcodes en bestand 4 bevat UBN-adressen. Bestand 3 is al openbaar gemaakt en gepubliceerd op internet. Het geschil gaat over de openbaarmaking van de overige drie Excelbestanden. Verzoekers vinden dat de minister deze niet openbaar mag maken, omdat hun belangen zich daartegen verzetten.

8. De voorzieningenrechter heeft op 2 oktober 2026 uitspraak gedaan op de verzoeken om een voorlopige voorziening die zijn ingediend door vier belangenorganisaties voor agrariërs en die gaan over hetzelfde Woo-besluit. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, hoewel de zienswijzeprocedure en de berichtgeving over het Woo-besluit aan de individuele agrariërs niet geheel zorgvuldig is verlopen, de agrariërs hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad. Verder heeft hij geoordeeld dat de minister terecht heeft beslist om de huisvestingsgegevens en UBN-adressen van de agrariërs openbaar te maken, omdat deze gegevens milieugegevens zijn die over emissie gaan. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo zijn op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo niet van toepassing als het om openbaarmaking van dit soort gegevens gaat. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak ook verwezen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 september 2025.[_b87e1344-2d35-4897-9ef0-5ab4e03e5b2b] In die uitspraak heeft de Afdeling over een vergelijkbaar Woo-verzoek geoordeeld dat huisvestingsgegevens en locatiegegevens emissiegegevens zijn en openbaar moeten worden gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 2 oktober 2026 verder geoordeeld dat de minister terecht heeft beslist dat de landbouwtellingsgegevens openbaar gemaakt moeten worden. Dit zijn namelijk milieugegevens. Bij openbaarmaking van dit type gegevens moet de minister nog wel de belangen afwegen. De belangenorganisaties hebben er op gewezen dat het gaat om bedrijfsgegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo), dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het geding is (artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo) en tot slot dat het belang van beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage een rol speelt (artikel 5.1, tweede lid, onder h, van de Woo). De minister heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, het belang van openbaarheid van de milieugegevens zwaarder mogen wegen dan de belangen van de agrariërs, vooral omdat de belangenorganisaties niet voldoende concreet hebben gemaakt hoe de diverse opgesomde belangen van de agrariërs door de openbaarmaking van de gegevens concreet worden geraakt.

9. De voorzieningenrechter neemt de overwegingen uit de uitspraak van 2 oktober 2026 over.

10. In aanvulling op deze overwegingen oordeelt de voorzieningenrechter over de belangen die verzoekers in hun verzoekschriften nog naar voren hebben gebracht.

10.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat deze belangen grotendeels overeenkomen met wat de belangenorganisaties in hun verzoekschriften namens de agrariërs naar voren hebben gebracht. Verzoekers hebben - onder andere – ook aangevoerd dat de openbaar te maken gegevens bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten en openbaarmaking hen in hun concurrentiepositie schaadt, dat deze gegevens niet actueel zijn en daarmee een onjuist beeld kunnen geven, dat openbaarmaking zou kunnen leiden tot dierenrechtenactivisme, dat wordt gevreesd voor reputatieschade en dat openbaarmaking een inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer. Dit laatste is vooral het geval bij verzoekers van wie het woonadres gelijk is aan het bedrijfsadres.

10.2.

De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen belangen die zo zwaar wegen dat de minister de gegevens niet openbaar zou mogen maken. Daarvoor is vooral relevant dat het om milieugegevens gaat en transparantie het uitgangspunt is. Verzoekers hebben hun belangen niet voldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter wijst naar de overwegingen in de uitspraak van 2 oktober 2026, waarin dat ook voor de belangenorganisaties is overwogen. Waaruit bijvoorbeeld de reputatieschade bestaat die één van de verzoekers als te respecteren belang naar voren brengt, blijkt niet en ook is onduidelijk hoe de concurrentiepositie van agrariërs concreet wordt aangetast als de gevraagde gegevens openbaar worden gemaakt.

10.3.

De voorzieningenrechter maakt uit de verzoekschriften op dat verzoekers er vooral moeite mee hebben dat MOB en andere organisaties over hun bedrijfsgegevens beschikken en daaraan consequenties kunnen verbinden. Eén van hen heeft gesteld dat MOB daardoor misbruik van recht maakt.

10.4.

Dit standpunt volgt de voorzieningenrechter niet. Het staat MOB en andere organisaties vrij om bestuursrechtelijke procedures te starten als zij daarvoor aanleiding zien. Daarmee maakt MOB geen misbruik van recht. Dat verzoekers handhavingsprocedures willen tegenhouden, is geen belang waarmee de minister in een Woo-procedure rekening moet houden. Daarbij moet overigens worden bedacht dat de feitelijke informatie die in de openbaar te maken bestanden staat, op zichzelf onvoldoende is om een handhavingsverzoek te onderbouwen.

10.5.

Wat verzoekers verder hebben aangedragen over hun specifieke bedrijven, zoals bijvoorbeeld dat één van de bedrijven inmiddels is opgeheven en dat een ander bedrijf last heeft van nabijgelegen drugslaboratoria en hennepkwekerijen, staat los van de Woo-beoordeling die de minister in deze procedure heeft moeten maken. De overige aangedragen belangen leiden dus niet tot een andere conclusie dan dat het belang van openbaarheid hier voorgaat.

11. De voorzieningenrechter oordeelt samenvattend dat de minister terecht heeft beslist om zowel de huisvestingsgegevens en de locatiegegevens als de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken. Dat betekent dat geen van de beroepsgronden die verzoekers hebben aangedragen, een redelijke kans van slagen heeft en dat de beroepen hoogstwaarschijnlijk ongegrond zijn. Het voorlopig rechtmatigheidsoordeel pakt voor verzoekers niet gunstig uit.

11. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook altijd nog zelf de belangen afwegen, maar als al duidelijk is dat het beroep waarschijnlijk niet zal slagen, is er weinig ruimte om op grond van een belangenafweging nog te beslissen dat openbaarmaking van de gegevens achterwege moet blijven.

11. De voorzieningenrechter verwijst voor de te maken eigen belangenafweging naar wat hij ook heeft overwogen in de uitspraak van 2 oktober 2026. Feitelijke openmaking van de gegevens via publicatie daarvan, maakt de behandeling van de beroepen vrijwel zinledig. Dat is echter de consequentie van het feit dat er in de Woo geen uitzondering is gemaakt op de hoofdregel van artikel 6:16 van de Awb, dat een bezwaar of beroep geen schorsende werking kent. Verzoekers hebben geen andere belangen aangedragen die tot de conclusie leiden dat de werking van het Woo-besluit geschorst moet worden. De voorzieningenrechter zal het Woo-besluit dan ook niet schorsen en de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de minister de Excelbestanden, voor zover deze nog niet openbaar zijn, openbaar mag maken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.