Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 19 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6818Zaaknummer C/16/555152
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/555152
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Benoeming van commissie van deskundigen en vaststellen van onderzoeksvragen. Zie ook tussenvonnis: ECLI:NL:RBMNE:2026:356
De rechtbank
heft het door Bayer ingeroepen mededelingenverbod gedeeltelijk op, zoals is omschreven in rechtsoverweging 2.7. van dit tussenvonnis,
beveelt een onderzoek door de commissie van deskundigen voor beantwoording van de vragen die in rechtsoverweging 2.3. van dit tussenvonnis zijn vermeld,
benoemt de volgende deskundigen tot leden van de commissie: - de heer dr. S.M.J. (Sander) van Kuijk, klinisch epidemioloog,
- de heer prof. dr. E. (Erik) Buskens, klinisch epidemioloog,
- de heer dr. P.J.Q. (Paul) van der Linden, gynaecoloog,- mevrouw dr. C.M. (Celine) Radder, gynaecoloog,
- de heer prof. dr. W.E. (Willem) Fibbe, immunoloog.
Dr. Van Kuijk is voorzitter van de commissie. Hij zal onder andere fungeren als aanspreekpunt voor partijen en de rechtbank. Hieronder worden zijn contactgegevens vermeld.
De heer dr. S.M.J. (Sander) van Kuijk
[adres] [woonplaats]
telefoonnummer: [telefoonnummer]
e-mailadres: [e-mailadres] .nl
het voorschot
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de commissie het volgende:
- de commissie moet uiterlijk binnen zes weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten;
- de griffie zal de opgave van de commissie vervolgens toezenden aan partijen;
- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting;
- als er niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de commissie vastgesteld op het door de commissie begrote bedrag;
- als er wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld in een afzonderlijke rechterlijke beslissing.
bepaalt dat partijen ieder de helft van het voorschot binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak moet overmaken,
draagt de griffier op om de voorzitter van de commissie onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
bepaalt dat de Stichting binnen een week na de datum van deze beslissing een afschrift van het procesdossier aan de voorzitter van de commissie moet toezenden,
verzoekt de commissie om voorafgaand aan de start van het onderzoek een plan van aanpak (met termijnen) aan de rechtbank en partijen toe te zenden en de rechtbank te voorzien van tussentijdse updates over de voortgang van het onderzoek,
bepaalt dat de commissie het onderzoek zelfstandig kan instellen op de door de commissie (waar nodig in overleg met partijen) te bepalen tijd en plaats,
wijst de commissie er op dat:
- zij voor aanvang van het onderzoek kennisneemt van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- zij het onderzoek pas begint, nadat hij het bericht van de griffier heeft ontvangen dat het voorschot is betaald,
- zij het onderzoek onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de commissie moeten verstrekken als commissie daarom vraagt, de commissie toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de commissie ook voor het overige gelegenheid moeten geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
draagt de commissie op om uiterlijk 12 maanden na dit vonnis een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
wijst de commissie er op dat:
- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de commissie is gebaseerd,
- zij een concept van het rapport aan partijen toezenden, zodat partijen de gelegenheid krijgen om hierover binnen vier weken of binnen de daarvoor door de commissie te bepalen termijn bij de commissie opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de commissie in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de commissie daarop moeten vermelden,
bepaalt dat partijen bij de commissie geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 18 augustus 2027 voor het indienen van het schriftelijk rapport,
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de kant van de Stichting op een termijn van vier weken,
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. M.H. Erich en mr. H.J. ter Meulen, rechters, en bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/555152 / HA ZA 23-289
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
1. de stichting
STICHTING ESSURE CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
2. de naamloze vennootschap
ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leiden,
3. de naamloze vennootschap
INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leiden,
4. de naamloze vennootschap
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
5. de naamloze vennootschap
DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
6. de naamloze vennootschap
ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leiden,
7. de naamloze vennootschap
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Arnhem,
8. de naamloze vennootschap
IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Arnhem,
9. de naamloze vennootschap
N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,
gevestigd te Arnhem,
10. de naamloze vennootschap
N.V. UNIVÉ ZORG,
gevestigd te Arnhem,
11. de onderlinge waarborgmaatschappij
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ DSW ZORGVERZEKERAAR,
gevestigd te Schiedam,
12. de naamloze vennootschap
DSW ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Schiedam,
13. de onderlinge waarborgmaatschappij
STAD HOLLAND ZORGVERZEKERAAR ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ,
gevestigd te Schiedam,
14. de onderlinge waarborgmaatschappij
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP UA,
gevestigd te Tilburg,
15. de naamloze vennootschap
CENTRALE ZORGVERZEKERINGEN NZV N.V.,
gevestigd te Tilburg,
16. de naamloze vennootschap
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Tilburg,
17. de naamloze vennootschap
OHRA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Tilburg, eiseressen,
advocaten mr. M.N. van Dam, mr. T.H.W. Korvinus en mr. E.J.E. Fetter te Amsterdam
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
BAYER AG,
gevestigd te Leverkusen, Duitsland,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAYER B.V.,
gevestigd te Mijdrecht,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BAYER ESSURE INC.,
gevestigd te Sacramento, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BAYER HEALTHCARE LLC,
gevestigd te Albany, New York, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagden,
advocaten mr. L.E.J. Korsten, mr. T.S.F. Hautvast en mr. D.A.E. Rietveld te Amsterdam.
Eiseres onder 1 wordt hierna de Stichting genoemd. Eiseressen 2 tot en met 17 worden gezamenlijk aangeduid als de Zorgverzekeraars. Gezamenlijk worden zij aangeduid als de Stichting c.s. Gedaagden worden gezamenlijk Bayer genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026,
- de akte na tussenvonnis van de Stichting c.s. van 22 april 2026
- de akte na tussenvonnis van Bayer van 22 april 2026 met producties 78 tot en met 81,
- de brief van Bayer van 28 april 2026 met drie bijlagen,
- de e-mail van de Stichting c.s. van 7 mei 2026,
- de e-mail van Bayer van 1 juni 2026,- de e-mail van Bayer van 12 juni 2026,- de akte van Bayer van 24 juni 2026 met een USB-stick met aanvullende stukken,
- de e-mail van de Stichting van 2 juli 2026,
- de e-mail van Bayer van 15 juli 2026.
Vervolgens heeft de rechtbank vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:356, hierna: het tussenvonnis), heeft de rechtbank aangekondigd om een commissie van vijf deskundigen te benoemen om zich te laten voorlichten over een aantal vragen. In dit vonnis wordt de commissie van deskundigen (hierna: de commissie) benoemd. Deze commissie bestaat uit twee klinisch epidemiologen (waarvan één voorzitter van de commissie is), twee gynaecologen en één immunoloog.
De rechtbank zal de commissie vragen haar te informeren over de (methodologische) kwaliteit, zeggingskracht en relevantie van de verschillende onderzoeken die de Stichting c.s. en Bayer hebben aangehaald. Ook wil de rechtbank laten toetsen of Bayer meer en andere onderzoeken had kunnen laten doen naar (de veiligheid van) Essure dan die zij heeft verricht. Tot slot zal de commissie in meer algemene zin worden gevraagd of er nog andere zaken uit het dossier relevant zijn voor de vraag of en in welke mate Essure bepaalde gezondheidsklachten veroorzaakt.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis aangekondigd welke vragen zij aan de commissie zou willen stellen. Partijen hebben daarop gereageerd en hebben wijzigingen en aanvullingen voorgesteld. De rechtbank heeft dit beoordeeld en komt tot de volgende aangepaste vragen aan de commissie:
1. Wat is de medisch-wetenschappelijke zeggingskracht en relevantie van de onderzoeken waar de Stichting c.s. en Bayer zich op beroepen voor wat betreft de beantwoording van de vraag of Essure bepaalde gezondheidsklachten veroorzaakt? Kunt u daarbij ingaan op onder meer de volgende aspecten van de betreffende onderzoeken: (a) methodologische validiteit van het onderzoek (waarbij het o.a. gaat om de mate van draagvlak voor de gebruikte methode) en in hoeverre de onderzoeksmethode geschikt is voor het beantwoorden van de vraag of Essure wel of niet de oorzaak kan zijn geweest van ervaren klachten, (b) procedurele zorgvuldigheid van het onderzoek, (c) de transparantie en controleerbaarheid van het onderzoek, (d) of en in hoeverre de onderzoeksresultaten van de verschillende onderzoeken, in onderling verband bezien, verklaard kunnen worden door een oorzakelijk verband tussen Essure en de klachten van de vrouwen en (e) of en in hoeverre de onderzoeksresultaten verklaard kunnen worden door een nocebo- of placebo-effect? Kunt u hierbij ook ingaan op de inhoud en genoemde bezwaren in de Opinie Van der Bom c.s. en Opinies Mol en Roovers over de daarin genoemde onderzoeken?
2. Was voorafgaand of na de markttoelating van Essure een medisch-wetenschappelijk onderzoek mogelijk naar de kans op bijwerkingen bij Essure met een controlegroep van vrouwen die geen Essure heeft, anders dan de vergelijking met een controlegroep van vrouwen die een laparoscopische sterilisatie hebben ondergaan? Zo ja, hoe had dit onderzoek volgens u het beste qua opzet en methodiek kunnen plaatsvinden en zijn hier bezwaren of bijzonderheden aan verbonden? Kan dit onderzoek alsnog plaatsvinden, nu Essure niet meer wordt geïmplanteerd? Kunt u in uw antwoord de alternatieven voor (vrouwelijke) sterilisatie betrekken die de rechtbank in rechtsoverweging 3.26. van het tussenvonnis heeft uiteengezet?
3. Als het onderzoek bedoeld in vraag 2 hiervoor mogelijk was, kunnen uit de onderzoeken die deel uitmaken van deze procedure hierover met dezelfde mate van zekerheid conclusies worden getrokken als met het onderzoek bedoeld in vraag 2? Zo niet, hoe verhoudt de zeggingskracht en relevantie van de medisch-wetenschappelijke onderzoeken die wel zijn verricht zich tot het genoemde onderzoek in vraag 2?
4. Zijn er in uw ogen andere opmerkingen of bijzonderheden ten aanzien van de onderzoeken, rapportages of correspondentie over Essure in het procesdossier (waaronder de documenten die Bayer bij akte van 24 juni 2026 heeft overgelegd) die relevant zijn voor de vraag of en, zo ja, in welke mate Essure bepaalde gezondheidsklachten veroorzaakt?
Voor zover partijen de vragen ruimer, beperkter, gedetailleerder of andersluidend hebben voorgesteld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De beantwoording van de hiervoor genoemde vragen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de gewenste voorlichting en informatie te krijgen. De commissie heeft binnen het kader van de hiervoor genoemde vragen voldoende ruimte en gelegenheid om de rechtbank naar beste weten te kunnen voorlichten, mede gezien de vierde vraag waarin de commissie ruimte heeft om andere relevante zaken in haar ogen nog naar voren te brengen.
Partijen hebben in hun aktes na het tussenvonnis zelf deskundigen voorgedragen en bezwaren geuit tegen een aantal deskundigen die door de andere partij zijn voorgesteld. De rechtbank heeft daarmee rekening gehouden bij de benoeming van de commissie en geconstateerd dat een aantal van de door partijen voorgedragen deskundigen niet bereid was de opdracht te aanvaarden. Er zijn geen bezwaren geuit tegen de deskundigen die de rechtbank benoemt en in rechtsoverweging 3.1. van dit vonnis zijn genoemd. Deze deskundigen hebben verklaard onafhankelijk en onpartijdig te zijn en over de capaciteiten te beschikken om het gewenste onderzoek uit te voeren.
Verzoeken van partijen over het onderzoek
Bayer heeft op 24 juni 2026 een groot aantal nieuwe stukken ingediend. Dit zijn de documenten waar de rechtbank in rechtsoverweging 3.32 van het tussenvonnis om heeft gevraagd. De Stichting heeft nog niet op deze stukken kunnen reageren en wil de gelegenheid krijgen om haar standpunt kenbaar te maken. De Stichting krijgt hiervoor nog niet op dit moment, voorafgaand aan het onderzoek door de commissie, de gelegenheid om hierop te reageren. Het is aan de commissie om de Stichting op een geschikt moment, bijvoorbeeld in de reactie op het conceptrapport, de gelegenheid te geven om te reageren op (een deel van) de nieuwe stukken, voor zover deze betrekking hebben op het onderzoek en daarvoor relevant zijn.
Bayer heeft ten aanzien van de hiervoor genoemde documenten een beroep gedaan op artikel 28 lid 1 sub c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Daarin is bepaald dat het partijen verboden is om aan derden mededelingen te doen over gegevens die door een partij op grond van, onder meer, artikel 22 Rv in het geding zijn gebracht. De Stichting heeft de rechtbank verzocht dit mededelingenverbod op te heffen op grond van artikel 28 lid 2 Rv. De rechtbank bepaalt voor nu dat het mededelingenverbod voor zover nodig enkel wordt opgeheven, in die zin dat de bestuurders en de leden van de raad van toezicht van de Stichting, haar advocaten en eventuele (medische) partijdeskundigen van de Stichting kennis mogen nemen van de documenten, mits geheimhouding door hen gewaarborgd is door afspraken daarover met de Stichting. Zij mogen deze documenten en de inhoud daarvan niet delen met andere derden. Het is voor een evenwichtige procedure namelijk van belang dat de Stichting medische onderzoeken en andere relevante documenten, die door Bayer in het geding zijn gebracht en die door de commissie worden onderzocht, ook zelf kan laten toetsen door (medische) partijdeskundigen en zich daarover kan laten voorlichten. Zodoende zal zij ook in staat zijn om te reageren op het conceptrapport van de commissie en nog eventuele verzoeken te kunnen doen. De Stichting mag de documenten en de inhoud daarvan op dit moment dus (nog) niet delen met anderen, waaronder bijvoorbeeld haar achterban, en/of daarover mededelingen doen. Zodra de commissie het onderzoek heeft afgerond, kan de Stichting desgewenst opnieuw een verzoek doen om het mededelingenverbod op te heffen voor zover bepaalde documenten, die Bayer heeft overgelegd, zodanig van belang zijn (geweest) dat zij anderen wil informeren.
Bayer heeft gevraagd om een regiezitting te houden voorafgaand aan het benoemen van de commissie en het vaststellen van de onderzoeksvragen. De rechtbank honoreert dat verzoek niet. De rechtbank zal in dit tussenvonnis beslissen over de verzoeken van partijen, de commissie benoemen en de te stellen vragen voor het onderzoek vaststellen. In het vorige tussenvonnis is al vastgesteld wat de verdere gang van zaken zou zijn. Er is geen aanleiding om daarvan af te wijken door een regiezitting te plannen, een nadere aktewisseling of anderszins.
De rechtbank zal niet op voorhand bepalen dat de commissie een kennismakingsgesprek moet voeren met partijen, zoals de Stichting heeft verzocht. De commissie mag zelf regie voeren over het onderzoek en bepalen wat zij nodig en efficiënt acht. Daarbij moet zij wel de Leidraad deskundigen in Civiele zaken in acht nemen. Daardoor is het onder andere niet toegestaan dat de commissie apart met één van de partijen een overleg voert (zie punt 5.2 van de Leidraad). Als partijen specifieke verzoeken of bezwaren hebben bij het onderzoek en de commissie passeert deze, kunnen partijen dit zo nodig aan de voorzitter van de meervoudige kamer als rechter-commissaris kenbaar maken, die vervolgens hierop zal beslissen.
Tot slot zal de rechtbank op voorhand geen termijnen vaststellen voor (de voortgang van) het deskundigenonderzoek, zoals de Stichting heeft voorgesteld. De rechtbank vraagt de commissie om zo voortvarend mogelijk te werk te gaan, waarbij de commissie zelf de regie houdt om te bezien wat haalbaar is. De zaak zal op de rol worden geplaatst van (18 augustus 2027) voor het uitbrengen en overleggen van het definitieve schriftelijke deskundigenrapport. Die datum kan op verzoek van de commissie worden vervroegd of, indien nodig, uitgesteld. Ook wordt de commissie gevraagd om de rechtbank voorafgaand aan het onderzoek een plan van aanpak (met termijnen) te sturen en de rechtbank te voorzien van tussentijdse updates.
Het voorschot
Zoals in het tussenvonnis al is beslist, zullen beide partijen het voorschot op de kosten van de commissie bij helfte dragen. De commissie wordt verzocht om een begroting te maken van de kosten voor haar werkzaamheden. Als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt door partijen dan wordt het voorschot van de kosten vastgesteld op het door de commissie begrote bedrag. Daarvoor wordt geen apart vonnis gewezen. Het vaststellen van het voorschot wordt geacht in dit vonnis te zijn gedaan. Als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank in een vonnis worden vastgesteld.
De beslissing over het voorschot op de kosten van de commissie zal ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Wettelijke verplichting om mee te werken aan het deskundigenonderzoek
De rechtbank wijst partijen erop dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de commissie. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals onder de beslissing wordt omschreven. Als een van partijen niet aan een van deze verplichtingen voldoet, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Als een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de commissie toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3 De beslissing
De rechtbank
heft het door Bayer ingeroepen mededelingenverbod gedeeltelijk op, zoals is omschreven in rechtsoverweging 2.7. van dit tussenvonnis,
beveelt een onderzoek door de commissie van deskundigen voor beantwoording van de vragen die in rechtsoverweging 2.3. van dit tussenvonnis zijn vermeld,
benoemt de volgende deskundigen tot leden van de commissie: - de heer dr. S.M.J. (Sander) van Kuijk, klinisch epidemioloog,
- de heer prof. dr. E. (Erik) Buskens, klinisch epidemioloog,
- de heer dr. P.J.Q. (Paul) van der Linden, gynaecoloog,- mevrouw dr. C.M. (Celine) Radder, gynaecoloog,
- de heer prof. dr. W.E. (Willem) Fibbe, immunoloog.
Dr. Van Kuijk is voorzitter van de commissie. Hij zal onder andere fungeren als aanspreekpunt voor partijen en de rechtbank. Hieronder worden zijn contactgegevens vermeld.
De heer dr. S.M.J. (Sander) van Kuijk
[adres] [woonplaats]
telefoonnummer: [telefoonnummer]
e-mailadres: [e-mailadres] .nl
het voorschot
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de commissie het volgende:
- de commissie moet uiterlijk binnen zes weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten;
- de griffie zal de opgave van de commissie vervolgens toezenden aan partijen;
- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting;
- als er niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de commissie vastgesteld op het door de commissie begrote bedrag;
- als er wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld in een afzonderlijke rechterlijke beslissing.
bepaalt dat partijen ieder de helft van het voorschot binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak moet overmaken,
draagt de griffier op om de voorzitter van de commissie onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
bepaalt dat de Stichting binnen een week na de datum van deze beslissing een afschrift van het procesdossier aan de voorzitter van de commissie moet toezenden,
verzoekt de commissie om voorafgaand aan de start van het onderzoek een plan van aanpak (met termijnen) aan de rechtbank en partijen toe te zenden en de rechtbank te voorzien van tussentijdse updates over de voortgang van het onderzoek,
bepaalt dat de commissie het onderzoek zelfstandig kan instellen op de door de commissie (waar nodig in overleg met partijen) te bepalen tijd en plaats,
wijst de commissie er op dat:
- zij voor aanvang van het onderzoek kennisneemt van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- zij het onderzoek pas begint, nadat hij het bericht van de griffier heeft ontvangen dat het voorschot is betaald,
- zij het onderzoek onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de commissie moeten verstrekken als commissie daarom vraagt, de commissie toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de commissie ook voor het overige gelegenheid moeten geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
draagt de commissie op om uiterlijk 12 maanden na dit vonnis een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
wijst de commissie er op dat:
- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de commissie is gebaseerd,
- zij een concept van het rapport aan partijen toezenden, zodat partijen de gelegenheid krijgen om hierover binnen vier weken of binnen de daarvoor door de commissie te bepalen termijn bij de commissie opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de commissie in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de commissie daarop moeten vermelden,
bepaalt dat partijen bij de commissie geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 18 augustus 2027 voor het indienen van het schriftelijk rapport,
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de kant van de Stichting op een termijn van vier weken,
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. M.H. Erich en mr. H.J. ter Meulen, rechters, en bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.