Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 29 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6801Zaaknummer UTR 26/878

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/878
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Woningsluiting artikel 13b Opiumwet voor 3 maanden. Tijdsverloop. De burgemeester heeft als peilmoment voor de beoordeling of sluiting van de woning noodzakelijk is, terecht gekeken naar de datum van de feitelijke sluiting op 30 juni 2025 en niet naar de datum van het bestreden besluit. Geen bijzondere persoonlijke omstandigheden die maken dat sluiting van de woning niet evenwichtig is. Ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

griffierrechter

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Wat is er gebeurd?
  5. Wat voert eiser aan?
  6. Ondertekening van het bestreden besluit
  7. Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
  8. Conclusie en gevolgen
  9. Beslissing
  10. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),

en

de burgemeester van de gemeente Huizen

(gemachtigden: mr. A. Neervoort en mr. R. Mulder).

Procesverloop

1. Bij besluit van 11 juni 2025 heeft de burgemeester met ingang van 30 juni 2025 de huurwoning van eiser aan de [adres] in [plaats] voor drie maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

1.1.

Met het besluit van 12 december 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is de burgemeester bij die woningsluiting gebleven.

1.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

Eiser heeft op 19 juli 2026 spreekaantekeningen overlegd

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. [A], als waarneemster van de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

2. Uit de bestuurlijke rapportage van 11 maart 2025 blijkt dat eiser op 9 februari 2025 door de politie is aangehouden wegen het rijden onder invloed van verdovende middelden (cocaïne). Daarbij zijn 23 gripzakjes met tabletten en poeder aangetroffen en

€ 6.005,- aan contant geld. Diezelfde dag is bij een doorzoeking van de huurwoning van eiser totaal 110,5 gram MDMA aangetroffen. Ook zijn attributen voor het vervaardigen en afwegen van verdovende middelen, zoals een kookketel en weegschalen, en telefoons aangetroffen. Verder blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat in 2023, in februari 2024 en in juli 2024 bij Meld Misdaad Anoniem (MMA) is gemeld dat eiser zou handelen in drugs. In januari 2024 is ook aan de wijkagent gemeld dat eiser vanuit zijn woning in drugs handelt en dat er personen regelmatig kort de woning van eiser bezoeken. Eind 2023 had de politie een kleine hoeveelheid verdovende middelen in de woning van eiser aangetroffen.

3. De burgemeester heeft op basis van de bestuurlijke rapportage besloten om de woning voor drie maanden te sluiten. De sluiting is gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid gemeente Huizen. Een sluiting van drie maanden is volgens de burgemeester een geschikt en noodzakelijk middel om de daarmee beoogde doelen te bereiken en voldoende evenwichtig, gelet op de belangen die met de sluiting zijn gediend. De burgemeester heeft in het bestreden besluit toegelicht waarom sluiting van de woning, gelet op het tijdsverloop vanaf de overtreding, nog steeds geschikt en noodzakelijk was. Daarbij heeft de burgemeester gewezen op nieuwe incidenten van maart en april 2025 van geluidshinder en een vernieling van een raam van de woning. Ook is er een contactmoment met de wijkagent met eiser, waarbij eiser heeft gezegd dat hij is gestopt met drugs dealen, dat zijn inkomsten zijn gezakt en dat hij de woning (illegaal) heeft onderverhuurd.

Wat voert eiser aan?

4. Eiser voert aan dat de burgemeester niet heeft gemotiveerd dat ten tijde van het besluit op bezwaar nog een actuele noodzaak bestond om de woning te sluiten. De burgemeester heeft alleen getoetst waarom een sluiting op 11 juni 2025 aangewezen was, terwijl hiervoor volgens eiser de datum van het besluit op bezwaar relevant is. Een herstelsanctie kan niet in stand blijven op basis van feitelijke situatie die inmiddels is achterhaald. De door de burgemeester genoemde incidenten van maart en april 2025 zijn volgens eiser onvoldoende bewijs dat er sprake is van actuele drugshandel vanuit de woning. Daarvoor is ook geen concrete waarneming. Daarnaast heeft de burgemeester de interventies van de strafrechter in het vonnis van 10 december 2025 (inzet op behandeling, begeleiding en toezicht) ten onrechte niet betrokken bij zijn besluit. Deze positieve ontwikkelingen zijn volgens eiser relevant voor het actuele recidiverisico en had de burgemeester daarom moeten meewegen. Voor eiser voelt de woningsluiting nu als een extra straf wat onverenigbaar is met het karakter van bestuursdwang als herstelsanctie. Eiser voert verder aan dat de sluiting vanwege de voor hem ingrijpende gevolgen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, te meer omdat er geen sprake is van actuele overlast en herhalingsgevaar. Daarbij heeft de burgemeester zijn persoonlijke omstandigheden niet kenbaar meegewogen. Het besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Daarnaast vormt de sluiting een inmenging op eisers door artikel 8 van het EVRM beschermde huisrecht.

Ondertekening van het bestreden besluit

5. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is ondertekend door het college van burgemeester en wethouders. Op de zitting heeft de gemachtigde medegedeeld dat deze vermelding in het besluit berust op een vergissing en dat de burgemeester het besluit op bezwaar voor zijn rekening neemt. Daarmee is het bevoegdheidsgebrek hersteld.

Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?

6. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen, indien in een lokaal (waaronder begrepen: een woning) een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs (of minder) de aangetroffen hoeveelheid nog als een gebruikershoeveelheid kan worden gezien.

6.1.

In de woning is 110,5 gram MDMA aangetroffen. MDMA komt voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. De burgemeester is daarom in beginsel bevoegd om de woning te sluiten. Dit wordt door eiser ook niet betwist.

Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?

7. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de eerdergenoemde Damoclesbeleid vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal hij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn om de met de sluiting gediende doelen te bereiken.[_ee2b2e0f-c7d5-44bc-ae5d-81c844f9eeab]

Juridisch kader: geschiktheid en noodzaak

8. De sluiting van de woning is op zichzelf een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde en het verder voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning. Een sluiting is tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.

8.1.

Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.

8.2.

Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.

8.3.

Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

8.4.

Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit.

8.5.

Wanneer een woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.

Was sluiting gezien het tijdsverloop noodzakelijk?

9. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk was. In de bestuurlijke rapportage staat dat er MMA-meldingen zijn uit 2024 dat eiser zou handelen in drugs, dat ook aan de wijkagent is gemeld dat eiser vanuit zijn woning in drugs handelt en dat er personen regelmatig kort de woning van eiser bezoeken. In de woning zijn naast een handelshoeveelheid harddrugs, ook attributen aangetroffen die te relateren zijn aan drugshandel, een kookketel, weegschalen, gripzakjes en telefoons. Verder lag er contant geld in de auto van eiser en staat eiser in het politiesysteem geregistreerd voor een eerder incident van drugshandel. Deze feiten en omstandigheden zijn ernstig genoeg om de noodzakelijkheid van de sluiting van de woning te dragen. De burgemeester heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat hij met de sluiting beoogt de criminele situatie te beëindigen en herhaling te voorkomen, de loop naar de woning en de bekendheid van de woning in het drugscircuit te doorbreken en verdere aantasting van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving te beschermen. Daarbij heeft de burgemeester mogen meewegen dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk, nabij een winkelcentrum, een middelbare school en een kinderopvang.

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning ook gezien het tijdsverloop noodzakelijk was. De rechtbank is van oordeel dat tussen het constateren van de overtreding op 9 februari 2025 en het moment van de feitelijke sluiting op 30 juni 2025 vier maanden zijn verstreken. Dit tijdsverloop is niet dermate lang dat sluiting van de woning niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de beoogde doelen. Dat de strafrechter eiser heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke straf en onder toezicht van de reclassering heeft gesteld, maakt dit niet anders. De burgemeester heeft er in dat verband terecht op gewezen dat de getroffen strafrechtelijke maatregelen andere doelen dienen dan het herstel van de openbare orde en het wegnemen van de bekendheid van de woning in het drugscircuit.

9.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat de burgemeester als peilmoment voor de beoordeling of sluiting van de woning noodzakelijk is, terecht heeft gekeken naar de datum van de feitelijke sluiting op 30 juni 2025 en niet naar de datum van het bestreden besluit zoals eiser wenst. Op het moment dat de burgemeester het bezwaar van eiser beoordeelde was de woningsluiting namelijk al geëffectueerd. Wat er daarna was voorgevallen kon daarom niet met terugwerkende kracht van invloed zijn op de beslissing van 11 juni 2025 om de woning met ingang van 30 juni 2025 te sluiten. Eiser heeft in dat verband naar voren gebracht dat eiser onder intensief toezicht staat van de reclassering, dat hij wordt behandeld voor zijn verslaving, dat hij werk heeft en afstand heeft genomen van zijn oude netwerk, dat er geen nieuwe meldingen zijn van drugshandel en dat het strafrechtelijk traject is afgerond met een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf en toezicht. De burgemeester heeft in deze persoonlijke omstandigheden geen reden hoeven zien om de sluiting te heroverwegen. De omstandigheden dateren van na de sluiting en zijn niet gericht op het wegnemen van de bekendheid van de woning in het drugscircuit. Daarmee wordt de noodzaak voor de sluiting niet weggenomen.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de informatie van de politie van maart en april 2025 over de incidenten en het gesprek met de wijkagent, bij de besluitvorming heeft mogen betrekken. De burgemeester heeft hierin signalen mogen zien van instabiliteit, overlast en criminele conflicten zoals vernieling van een raam, het binnendringen van de woning door meerdere personen en illegale onderhuur. Dat deze incidenten geen direct bewijs opleveren dat er sprake is van drugshandel in of vanuit de woning, of van een overtreding van de Opiumwet, neemt niet weg dat de signalen een negatief effect hebben op de openbare orde en veiligheid in de nabije omgeving van de woning. De burgemeester heeft ook daarom geen aanleiding hoeven zien om de sluiting te heroverwegen.

Juridisch kader: evenwichtigheid

10. Als de conclusie is dat de burgemeester zijn beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een bepaalde duur kan bereiken en een woningsluiting dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.

10.1.

Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.

10.2.

Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.

10.3.

Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dient hij van sluiting af te zien. Afhankelijk van de concrete situatie zou de burgemeester dan nog kunnen kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing.

Was sluiting van de woning evenwichtig?

11. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat sluiting van de woning in dit geval onevenwichtig is. Eiser staat onder intensief reclasseringstoezicht, volgt een ambulant behandeltraject, werkt structureel en heeft afstand genomen van zijn oude netwerk. Ook zijn er geen nieuwe meldingen of constateringen van drugshandel en is het strafrechtelijk traject afgerond met een voorwaardelijke gevangenisstraf en toezicht. Daarbij loopt eiser het risico op verlies van zijn sociale huurwoning en plaatsing op de zwarte lijst.

11.1.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de met de sluiting beoogde doelen zwaarder heeft mogen laten wegen dan de door eiser genoemde persoonlijke omstandigheden. Deze omstandigheden maken niet dat de aanwezigheid van drugs in de woning niet aan eiser kan worden verweten. De burgemeester heeft zich verder voldoende rekenschap gegeven van de mogelijkheid dat eiser door het besluit tot sluiting van de woning de huurovereenkomst kan worden ontbonden en dat eiser door het plaatsen op een zwarte lijst langere tijd niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en mogelijk dakloos zal worden. Het gedwongen moeten verlaten van de woning en het moeten zoeken naar vervangende woonruimte, leidt in dit geval niet tot het oordeel dat de sluiting onevenredig is. Inherent aan de sluiting van de woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. De burgemeester heeft dat op zichzelf niet als bijzondere omstandigheden hoeven aanmerken. Daarbij is op de zitting gebleken dat eiser tot november 2028 opvang heeft via [onderneming]. Van schending van artikel 8 van het EVRM is daarom ook geen sprake.

12. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de maatregel punitief van aard is. Het sluiten van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet betreft een bestuursrechtelijke bevoegdheid. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de burgemeester onder de eerdergenoemde omstandigheden in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid, dus de rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de gevolgen van het besluit zo zwaarwegend zijn dat ze punitief van aard zijn.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

griffierrechter

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.