Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 24 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6767Zaaknummer UTR 26/1487
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/1487
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk omdat er geen connexe beroepsprocedure is.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1487
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit op bezwaar van de minister van 17 februari 2026 (Woo/2023/066) tot openbaarmaking van gegevens over – onder andere – verzoeker.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Dit betekent dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening allereerst nodig is dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit).
- De voorzieningenrechter stelt vast dat daarvan in dit geval geen sprake is. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2026. Bij brief van 24 april 2026 heeft de minister verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij verzoeker niet juist heeft geïnformeerd. De minister had verzoeker laten weten dat hij bezwaar kon maken tegen het besluit van 17 februari 2026, maar dat was niet juist, omdat het om een besluit op bezwaar gaat. Tegen dit besluit staat geen bezwaar open, maar beroep bij de bestuursrechter. De minister heeft verzoeker erop gewezen dat hij het bezwaarschrift daarom moet doorsturen aan de rechtbank ter behandeling als beroep. De minister heeft verzoeker gevraagd om het bezwaar in te trekken als hij niet wenste dat het zou worden doorgezonden aan de rechtbank.
- De minister heeft veel bezwaarschriften ontvangen tegen het besluit van 17 februari 2026. De minister heeft deze bezwaarschriften doorgezonden aan de rechtbank met daarbij een overzicht van alle doorgezonden zaken (ruim 1900). De rechtbank heeft daarbij geen bezwaarschrift van verzoeker aangetroffen. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat verzoeker ervoor gekozen heeft om zijn bezwaar in te trekken en dit niet door te laten zenden aan de rechtbank. Verzoeker heeft ook niet zelf beroep ingesteld bij de rechtbank.
- Dit betekent dat er geen beroepsprocedure loopt tegen het besluit van 17 februari 2026 en dat dus niet voldaan is aan het vereiste van formele connexiteit. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.