Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 20 augustus 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6765Zaaknummer UTR 26/1972

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/1972
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk omdat er geen connexe beroepsprocedure is.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] V.O.F., uit [plaats] , verzoekster
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1972

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] V.O.F., uit [plaats] , verzoekster

en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit op bezwaar van de minister van 17 februari 2026 (Woo/2023/066) tot openbaarmaking van gegevens over – onder andere – verzoekster.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  • Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Dit betekent dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening allereerst nodig is dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit).
  • De voorzieningenrechter stelt vast dat daarvan in dit geval geen sprake (meer) is. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2026. Dit bezwaar is door de minister doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroep. Dit beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer UTR 26/3735. Op 15 juni 2026 heeft verzoekster het beroep ingetrokken.
  • Er is dus niet langer voldaan aan het vereiste van formele connexiteit. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.