Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 2 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6698Zaaknummer C/16/609565 / FL RK 26-423
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Publicatiedatum
- 1 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/609565 / FL RK 26-423
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenbeschikking
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
overschrijding verweertermijn, verzoek toch in behandeling
De rechtbank:
verklaart de vrouw ontvankelijk in haar verweer en neemt de zelfstandige verzoeken in behandeling;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie en de verzoeken over de verdeling aan tot 16 maart 2027, in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek;
verzoekt de Raad om te onderzoeken:- welke zorgregeling in het belang van [minderjarige (voornaam)] is;
- waar [minderjarige (voornaam)] het beste kan wonen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in samenwerking met mr. M. van Meurs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/609565 / FL RK 26-423
Echtscheiding
Beschikking van 2 september 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. I.M.G. Maste,
tegen
[de vrouw],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.G. Kempenaars.
1 De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 24 maart 2026;
- het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 1 juni 2026;
- het bericht van de man met het betekeningsexploot van 5 juni 2026;
- het verweerschrift van de man (met bijlagen) over de ontvankelijkheid van 12 juni 2026;
- het bericht van de vrouw (met bijlagen) van 23 juni 2026 (via F9-formulier);
- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, binnengekomen op 20 juli 2026.
De rechtbank heeft op 16 juni 2026 een beslissing genomen in de voorlopige voorzieningenprocedure tussen partijen (zaaknummer C/16/608965 / FL RK 36-370). In die procedure is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om in deze procedure een onderzoek te doen. Gevraagd is om te onderzoeken welke zorgregeling in het belang van [minderjarige (voornaam)] is en waar [minderjarige (voornaam)] zou moeten wonen. Het onderzoek is nog niet afgerond.
Er heeft geen mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden.
2 Waar de procedure over gaat
Partijen zijn op [2011] met elkaar getrouwd in [plaats].
Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [2013] in [geboorteplaats].
De rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2026 de volgende voorlopige voorzieningen getroffen:
- [minderjarige (voornaam)] is toevertrouwd aan de man;
- de man mag de echtelijke woning gebruiken tijdens de echtscheidingsprocedure;
- tussen de vrouw en [minderjarige (voornaam)] zal er toegewerkt worden naar een wekelijks contact onder begeleiding van de hulpverlenende instantie [organisatie];
- de Raad is verzocht om in deze procedure een onderzoek te doen en advies te geven welke zorgregeling in het belang is van [minderjarige (voornaam)] en waar hij het beste kan wonen.
Partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
Daarnaast verzoekt de man de rechtbank om:
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij de man is;
- te bepalen dat de man huurder zal zijn van de woning aan de [adres] in [plaats];
- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen door te bepalen dat:- ieder zijn eigen bankrekening behoudt, met verdeling van het saldo op de peildatum;- de inboedel in onderling overleg te verdelen, met gesloten beurzen.
De vrouw vindt dat de verzoeken van de man over [minderjarige (voornaam)] moeten worden afgewezen. De vrouw verzoekt de rechtbank om:
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij de vrouw is;
- te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan de [adres] in [plaats];
- te bepalen dat de man € 500,- per maand zal betalen aan kinder- en partneralimentatie aan de vrouw;
- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen door te bepalen dat:- ieder zijn eigen bankrekening behoudt, met verdeling van het saldo bij helfte op de peildatum;- de inboedel in onderling overleg bij helfte zal worden verdeeld.
Ontvankelijkheid verweer met zelfstandige verzoeken van de vrouw
De man heeft in zijn verweerschrift van 12 juni 2026 verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verweer en zelfstandige verzoeken. Als de rechtbank de vrouw toch ontvankelijk verklaart dan wil de man een termijn voor het indienen van een verweerschrift. De man vindt dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar verweer en in haar zelfstandige verzoeken, omdat dit processtuk te laat is ingediend. De verweertermijn verliep op 20 mei 2026 en het verweerschrift met zelfstandige verzoeken is op 1 juni 2026 door de rechtbank ontvangen. De advocaat van de vrouw heeft zich in de bodemprocedure op 2 juni 2026 gesteld.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt om te bepalen dat de vrouw ontvankelijk is in haar verweer en in de zelfstandige verzoeken. Op 27 maart 2026 heeft de advocaat van de vrouw zich gesteld bij de rechtbank. In dat stelformulier is ook uitstel voor het indienen van een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek. Later is gebleken dat de advocaat van de vrouw zich (alleen) gesteld heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure en niet in de echtscheidingsprocedure. De stelbrief was ook bedoeld voor de echtscheidingsprocedure. Nadat het verweerschrift in de echtscheidingsprocedure was ingediend op 1 juni 2026, heeft de administratie van de rechtbank contact opgenomen met de advocaat om te laten weten dat zij zich nog niet gesteld had in deze bodemprocedure. Dat gebrek is direct hersteld. De vrouw is van mening dat het niet-ontvankelijk verklaren van de vrouw in deze procedure in strijd is met de goede procesorde en dat er sprake is van misbruik van recht als het verzoek van de man wordt toegewezen.
3 De beoordeling
Beslissing
De rechtbank beslist dat de vrouw ontvankelijk is in haar verweer en zal dit verweer en de door haar ingediende zelfstandige verzoeken in behandeling nemen. De overige verzoeken van partijen worden aanhouden. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Ontvankelijkheid
De man is een echtscheidingsprocedure gestart. Volgens artikel 816 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) moet de man binnen veertien dagen na het indienen van het verzoekschrift, dit verzoek laten betekenen door de deurwaarder. Het verzoekschrift is ingediend op 24 maart 2026 en betekend op 30 maart 2026. De man heeft daarmee voldaan aan de vereisten in de wet.
De man heeft niet voldaan aan het vereiste in het procesreglement scheiding dat het exploot binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift moet zijn ingediend bij de rechtbank (artikel 4.2 procesreglement scheiding). Het procesreglement stelt daarover het volgende:
Het originele betekeningsexploot dient uiterlijk vier weken na de datum, waarop het verzoekschrift strekkende tot scheiding werd ingeschreven, te worden overgelegd ter griffie. Indien hieraan niet wordt voldaan, wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, tenzij er sprake is van klemmende redenen die vóór afloop van de termijn schriftelijk zijn meegedeeld.
Bij het ontbreken van een dergelijke mededeling wordt er van uitgegaan dat verzoeker geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.
De man heeft zonder opgaaf van reden het betekeningsexploot pas op 5 juni 2026 ingediend en had om die reden in beginsel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn verzoek. In het exploot was een verweertermijn opgenomen tot 20 mei 2026.
Het verweerschrift van de vrouw is op 1 juni 2026 door de rechtbank ontvangen, dus vóór de rechtbank het exploot van de man had ontvangen. Door het indienen van het verweerschrift is voorkomen dat de man niet-ontvankelijk zou worden verklaard in zijn verzoek. De man moest het exploot tijdig indienen zodat de verweertermijn ook juist kon worden vermeld in het roljournaal van de rechtbank. Dat heeft hij niet gedaan en dat is de reden waarom in het procesreglement staat dat iemand bij het niet op tijd indienen van het exploot niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit het stelformulier van de advocaat van de vrouw van 27 maart 2026 blijkt dat zij zich bedoelde te stellen in de echtscheidingsprocedure. Hett stelformulier is weliswaar ingediend in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar in het stelformulier is ook verzocht om een uitstel voor het indienen van een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek. De man had daaruit moeten begrijpen dat de vrouw een uitstel wilde voor het indienen van een verweerschrift.
Kortom: de rechtbank is van oordeel dat in dit geval het verweerschrift niet te laat is ingediend, omdat de vrouw uitstel heeft verzocht en de man hier ook van op de hoogte was. Bovendien was de in het exploot aangezegde verweertermijn pas bekend bij de rechtbank nadat het verweerschrift zelf al was ontvangen. Dit komt voor rekening en risico van de man. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn als de vrouw in dit geval niet-ontvankelijk zou worden verklaard in haar verweer en de zelfstandige verzoeken.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat als zij wel tot het oordeel was gekomen dat het verweerschrift wel te laat was ingediend, het verweerschrift alsnog in behandeling zou worden genomen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de vrouw in haar bericht van 23 juni 2026, waarin zij heeft uitgelegd hoe een en ander is verlopen, klemmende redenen heeft aangevoerd die de te late indiening rechtvaardigen.[_ec224ef1-e1da-4d04-a6ce-f52c17d0261d]
Het ontbreken van het ouderschapsplan
De rechtbank vindt dat de partijen ontvankelijk zijn in hun verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk kunnen worden behandeld. De rechtbank vindt namelijk dat van de ouders niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat tijdens de behandeling van de voorlopige voorzieningenprocedure op 2 juni 2026 is gebleken dat partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de zorg voor [minderjarige (voornaam)].
De rechtbank zal nog geen beslissing nemen, maar de beslissing uitstellen in afwachting van de uitkomst van Raadsonderzoek. De reden daarvoor is dat voor de rechtbank nog onvoldoende duidelijk is welke beslissing in het belang van [minderjarige (voornaam)]. Daarom heeft de rechtbank de Raad in haar beslissing van 16 juni 2026 in de voorlopige voorzieningenprocedure gevraagd om onderzoek te doen naar welke zorgregeling in het belang van [minderjarige (voornaam)] is en waar [minderjarige (voornaam)] het beste kan wonen. Vóór 16 maart 2027 wil de rechtbank graag het advies van de Raad ontvangen. Na ontvangst van het Raadsrapport zal de rechtbank de advocaten van partijen in de gelegenheid stellen om schriftelijk te reageren op de inhoud van dat rapport.
De rechtbank vraagt de Raad om te onderzoeken:
- welke zorgregeling in het belang van [minderjarige (voornaam)] is;
- waar [minderjarige (voornaam)] het beste kan wonen.
In de tussentijd blijft de zorgregeling zoals die is vastgesteld in de voorlopige voorzieningenprocedure.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing.
4 De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw ontvankelijk in haar verweer en neemt de zelfstandige verzoeken in behandeling;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie en de verzoeken over de verdeling aan tot 16 maart 2027, in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek;
verzoekt de Raad om te onderzoeken:- welke zorgregeling in het belang van [minderjarige (voornaam)] is;
- waar [minderjarige (voornaam)] het beste kan wonen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in samenwerking met mr. M. van Meurs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.