Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 31 augustus 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6457Zaaknummer UTR 26/24

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31 augustus 2026
Publicatiedatum
21 september 2026
Zaaknummer
UTR 26/24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet gegrond; PKV afwijzen; beroep niet-ontvankelijk;

Beslissing

In het verzet met het kenmerk UTR 26/24-V:

- verklaart het verzet gegrond.

In het verzet met het kenmerk UTR 26/24:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • verklaart de uitspraak van 21 april 2026 vervallen wat betreft de overwegingen en dat deel van het dictum waarin artikel 8:75 van de Awb is toegepast:
  • bepaalt dat de overwegingen over de proceskostenvergoeding van deze uitspraak daarvoor in de plaats treden;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspraak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dit doen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/24-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 op het verzet van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, opposante,

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend omdat opposante niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor een omgevingsvergunning van 9 september 2025.

In de uitspraak van 21 april 2026 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzet

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 april 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen op de aanvraag van geopposeerde. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2026 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2026 niet juist omdat er geen sprake is van het inschakelen van een professionele (juridische) rechtshulpverlener. Volgens opposante heeft geopposeerde zelf het beroepschrift ingediend.

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet kennelijk (dus buiten redelijke twijfel) niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden.

5. Omdat het verzet zich enkel richt tegen de toepassing van artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding om de uitspraak van 21 april 2026 volledig vervallen te verklaren. De rechtbank zal deze dan ook alleen laten vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van de Awb is toegepast. Omdat het alleen gaat om de hoogte van de proceskostenveroordeling,

zal de rechtbank de beoordeling van het beroep daartoe beperken.

Ten aanzien van het beroep

6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep.

7. Opposante zal hierna verder worden aangeduid als verweerder.

8. De rechtbank stelt vast dat eiseres zelf het beroepschrift heeft ingediend en ook zelf de vervolgcorrespondentie met de rechtbank heeft gevoerd. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat proceshandelingen zijn verricht door een derde, die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend en waarvoor recht bestaat op vergoeding ingevolge het Besluit. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep blijft niet-ontvankelijk.

10. De rechtbank ziet aanleiding om de uitspraak van 21 april 2026 in afwijking van artikel 8:55, negende lid, van de Awb gedeeltelijk vervallen te verklaren. Dit geldt ten aanzien van r.o. 3 en dat deel van het dictum dat gaat over de toekenning van de proceskosten. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak, voor zover de overwegingen daarvan zien op de toekenning van proceskosten in de beroepsprocedure daarvoor in de plaats treedt.

11. Eiseres heeft geen kosten gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank kent dus geen vergoeding van proceskosten toe.

Beslissing

In het verzet met het kenmerk UTR 26/24-V:

- verklaart het verzet gegrond.

In het verzet met het kenmerk UTR 26/24:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • verklaart de uitspraak van 21 april 2026 vervallen wat betreft de overwegingen en dat deel van het dictum waarin artikel 8:75 van de Awb is toegepast:
  • bepaalt dat de overwegingen over de proceskostenvergoeding van deze uitspraak daarvoor in de plaats treden;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspraak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dit doen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.