Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 21 april 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5833Zaaknummer UTR 26/1959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 september 2026
Zaaknummer
UTR 26/1959
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

buiten zitting, vovo

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
  2. Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1959

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Voordat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan toekomen, dient hij te beoordelen of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval.

4. Verzoekster heeft op 17 oktober 2025 een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor vergoeding van haar aanvullende schade. De ontvangst van dit verzoek is op 10 november 2025 bevestigd door de CWS.

5. Op 5 maart 2026 heeft verzoekster bezwaar ingediend. Dit bezwaar lijkt te zijn gericht tegen een mededeling van de CWS op de website dat zij geen nieuwe zaken meer oppakken. Tevens heeft verzoekster op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende verweerder op te dragen om een gesprek tussen verzoekster en de CWS in te plannen, de aanvraag verder in behandeling te nemen en een besluit op de aanvraag bekend te maken binnen de wettelijke termijn.

6. Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 6 maart 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen.

7. Verzoekster heeft op 19 maart 2026 gereageerd. Verzoekster voert aan dat verweerder medio februari 2026 door publicatie op internet en communicatie naar de advocatuur bekend heeft gemaakt dat aanmeldingen voor de vergoeding van schade door een advies van de CWS niet meer in behandeling worden genomen. Volgens verzoekster is haar aanvraag buiten behandeling gesteld, maar heeft verweerder geen schriftelijke beschikking met kenmerk en bezwaarclausule naar verzoekster verzonden. Verzoekster dient een nieuwe aanvraag in te dienen bij Mijn Herstel, aldus verzoekster.

8. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit).

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet voldaan is aan de formele connexiteit. Hoewel verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend, is niet duidelijk tegen welk besluit dit bezwaarschrift is gericht. Eiseres heeft geen besluit van Dienst Toeslagen overgelegd waaruit blijkt dat haar aanvraag buiten behandeling is gesteld en uit het bezwaarschrift blijkt ook niet dat het bezwaar is gericht tegen een dergelijk besluit. Het bezwaarschrift dat eiseres heeft overgelegd, richt zich immers tegen de mededeling op een website dat de CWS geen nieuwe zaken meer kan oppakken. De ouders die in de CWS-wachtrij staan, zullen via een andere route worden afgehandeld. Ouders kunnen daarvoor kiezen voor de route via Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) of voor de route via MijnHerstel. Dat staat op de website. De voorzieningenrechter is, anders dan verzoekster, van oordeel dat uit dit bericht niet blijkt dat Dienst Toeslagen de aanvraag van verzoekster buiten behandeling heeft gesteld. De mededeling op de website is een informatief bericht van algemene aard en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Om die reden is deze mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

10. Overigens is uit de door verzoekster overgelegde stukken niet gebleken dat de CWS de aanvraag van verzoekster niet in behandeling heeft genomen. Uit productie 3 bij het verzoek blijkt dat e-mail van de CWS gericht aan de gemachtigde van verzoekster ziet op een aanvraag van een andere burger dan de verzoekster.

11. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat niet is gebleken dat de aanvraag van verzoekster door Dienst Toeslagen of door de CWS buiten behandeling is gesteld. Het bezwaar van verzoekster is gericht tegen een mededeling op de website van de CWS, maar dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet voldoet aan het vereiste van connexiteit.

Conclusie en gevolgen

12. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

De voorzieningenrechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.