Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 22 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5417Zaaknummer UTR 26/3098

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
31 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/3098
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening bezwaar afgewezen. Het gaat om een urgentieverklaring. Als die in bezwaar wordt verleend is dat geen voorlopige maatregel. De rechter zal alleen zo'n voorziening toewijzen als vrijwel zeker is dat aan verzoeker een urgentieverklaring verleend moet worden. Dat is hier niet het geval.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/3098

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.P.J. Botterblom),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten

(gemachtigde: G. Kok).

Inleiding

  • Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 2 maart 2026 waarin de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning is afgewezen. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
  • De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. In zo’n geval doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  • Artikel 8:81 van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  • Verzoeker heeft aangevoerd dat hij op korte termijn op straat komt te staan met zijn echtgenote en hun drie minderjarige kinderen. Zij wonen bij iemand in huis die heeft meegedeeld dat zij deze woning moeten verlaten. Voor verzoeker en zijn gezin dreigt dakloosheid als zij niet op korte termijn in aanmerking komen voor een sociale huurwoning.

3. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). Verzoeker wil met zijn verzoek bereiken dat hij tijdens de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof hij al in het bezit is van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit feitelijk geen tussenmaatregel is. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.

4. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd niet maakt dat op dit moment aan deze hoge maatstaf is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.