Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 5 maart 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5411Zaaknummer UTR 26/1225

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
31 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/1225
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo bezwaar urgentie. Urgentieverlenen in bezwaar is geen tussenmaatregel is. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld. Alleen als vrijwel zeker is dat de urgentieverklaring moet worden verleend, zal rechter het verzoek toewijzen. Daarvan is geen sprake.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1225

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. C.C. Sneper),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 8 december 2025 waarin de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning is afgewezen. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft en omdat wat hij van de voorzieningenrechter verzoekt in dit stadium te ver strekt.

1.2.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij sinds de beëindiging van zijn relatie is aangewezen op tijdelijke en wisselende opvang bij derden en niet beschikt over een duurzame en stabiele huisvestigingssituatie. Hij wil daarover kunnen beschikken, omdat één van zijn kinderen bij hem zou willen wonen. Dat kan nu niet.

4. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). Uit de gedingstukken blijkt dat verzoeker als gevolg van een beschikking van de rechtbank van 18 februari 2025 zijn woning heeft moeten verlaten.

5. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom er nu een wijziging moet plaatsvinden in zijn situatie. Het is niet duidelijk geworden waarom hij niet op dezelfde wijze in zijn verblijf kan voorzien zoals hij al sinds begin februari 2025 heeft gedaan. Het spoedeisende belang is daarom niet voldoende onderbouwd.

6. Het is de voorzieningenrechter verder ook niet duidelijk geworden wat verzoeker precies wil bereiken met dit verzoek. Hij stelt in het petitum van zijn verzoek dat hij om schorsing van het besluit van 8 december 2025 verzoekt. Dat besluit bevat echter een afwijzing van zijn aanvraag. Schorsing van dat besluit levert verzoeker materieel niets op.

7. Voor zover verzoeker wil bereiken dat hij tijdens de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof hij al in het bezit is van een urgentieverklaring, overweegt de voorzieningenrechter dat dat eigenlijk geen tussenmaatregel is. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.

8. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd niet maakt dat aan deze hoge maatstaf op dit moment is voldaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.