Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4924Zaaknummer UTR 26/6044
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/6044
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Uitspraak voorlopige voorziening buiten zitting. Een afschrift van het besluit ontbreekt. Daarnaast is niet gebleken van een lopende bezwaarschriftprocedure bij het college. Het verzoek is niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6044
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college van 6 februari 2026. Daarin is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen als het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening geen afschrift van het besluit van 6 februari 2026 en geen afschrift van zijn bezwaarschrift heeft gevoegd. Met de brief van 23 juni 2026 heeft de rechtbank verzoeker gevraagd om deze stukken alsnog binnen twee weken te overleggen. Verzoeker heeft op deze brief niet gereageerd.
4. De griffier van de rechtbank heeft over deze zaak ook telefonisch contact gehad met het college. Uit dit contact is gebleken dat bij het college geen bezwaarschrift van verzoeker bekend is tegen het besluit van 6 februari 2026.
5. Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen bezwaarprocedure loopt. In dat geval kan iemand ook geen verzoek om een voorlopige voorziening doen.[_3bec4ed2-d5eb-486a-b993-5cc2640418d6] Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.