Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4685Zaaknummer UTR 26/6393
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/6393
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Verzoekster heeft het spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment in een acute financiele noodsituatie verkeert.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6393
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Oversluizen),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
In het bestreden besluit van 8 juni 2026 heeft de SVB de ‘aanvullende inkomensvoorziening ouderen’ (AIO) van verzoekster beëindigd vanaf 1 april 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt. Al om die reden is er dan geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Verzoekster voert over het spoedeisend belang aan dat zij door de beëindiging van de AIO in financiële nood komt. Zij moet rondkomen van haar AOW van € 841,41 per maand, terwijl haar vaste lasten hoger zijn. Ter onderbouwing van haar financiële situatie heeft zij bankafschriften overgelegd.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed. Uit de door verzoekster overgelegde bankafschriften volgt dat haar vaste lasten € 976,24 per maand zijn (huur, gas, elektra, water, zorgverzekering). Uit de bankafschriften en de overgelegde brief van de Belastingdienst Toeslagen volgt ook dat zij per maand € 1.353,74 ontvangt (aan AOW en toeslagen). Verder volgt uit verzoeksters bankafschriften dat zij een positief saldo heeft op haar twee betaalrekeningen en haar spaarrekening, in totaal een bedrag van € 3.515,86. De saldi van de spaarrekening en van één betaalrekening zijn de afgelopen maanden zelfs toegenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de overgelegde stukken dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit moment in een acute financiële noodsituatie verkeert. Evenmin heeft zij aangetoond dat zij binnenkort in zo’n noodsituatie komt te verkeren en zij om die reden de bezwaarprocedure niet kan afwachten.
Evident onrechtmatig
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken van dergelijke twijfel geen sprake is.
Belangenafweging
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.