Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 17 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4545Zaaknummer C/16/611531 / JE RK 26-705

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/611531 / JE RK 26-705
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Wegens verdenking van mishandeling door ouders van pleegkinderen die eerder in het gezin waren ondergebracht, zijn er grote zorgen ten aanzien van de veiligheid van de biologische kinderen bij de ouders.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 17 juni 2026 tot 17 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting gelegen voor 17 december 2026;

6.4.

verzoekt de GI om uiterlijk 17 november 2026 schriftelijk te informeren over de dan actuele stand van zaken, hun visie over het verdere verloop en hun standpunt over een eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.M.A. Roseboom als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/611531 / JE RK 26-705

Datum uitspraak: 17 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Midden-Nederland, Utrecht,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 2],

[minderjarige 3],

geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen [minderjarige 3].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats],

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats],

samen te noemen: de ouders

advocaat voor beide ouders: mr. N.J. Hos,

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de GI.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 5 juni 2026;

  • proces-verbaal politie uit het strafrechtelijk onderzoek, ontvangen van het Openbaar Ministerie op 11 juni 2026 op verzoek van de kinderrechter gebruikmakend van artikel 42 lid 2 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
  • de producties van de Raad, ontvangen op 9 en 15 juni 2026.
1.2.

Op 17 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders met hun advocaat en bijgestaan door een tolk, G. Ogbamichael, in de taal Tigrinya;

- mevrouw [A.] als vertegenwoordiger van de Raad;

- mevrouw [B.] als vertegenwoordiger van de GI.

Bijzondere toegang tot de zitting is verleend aan [C.], hulpverlener, werkzaam bij [naam 1].

2 De feiten

2.1.

De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De juridische vader van

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de ex-echtgenoot van de moeder. De vader is de biologische en sociale vader. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 3].

2.2.

[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.

2.3.

Bij beschikking van 13 maart 2026 zijn [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van de GI tot 13 juni 2026.

2.4.

Bij beschikking van 13 maart 2026 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een pleeggezin tot 27 maart 2026. De behandeling van het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden. Bij beschikking van 20 maart 2026 is deze machtiging ingetrokken, omdat er geen gebruik van werd gemaakt en het ook niet meer het voornemen was.

2.5.

Bij beschikking van 31 maart 2026 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 31 maart 2026 voor de duur van twee weken, te weten tot 14 april 2026, met dien verstande dat deze machtiging vervalt indien de ouders, dan wel één van hen, in vrijheid worden gesteld.

2.6.

Bij beschikking van de kinderrechter van 5 juni 2026 zijn [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 juni 2026 tot 18 juni 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot heden.

3 Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd intensieve ambulante hulp voor het gezin te regelen, maar dat dit vooralsnog niet is gelukt. Deze is vooralsnog niet ingezet omdat er bij [naam 2], de instantie die dit zou gaan uitvoeren, onduidelijkheid bestond over de vermoedens van kindermishandeling. Daarnaast worden er veel positieve dingen gezien en gaat er heel veel wel goed in het gezin. De school en het ontwikkelcentrum, de dagbesteding van [minderjarige 1], zien geen duidelijke ontwikkelingsbedreiging.

4.2.

Namens de ouders is primair verzocht om de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden uit te spreken en het overige verzochte deel aan te houden. De ouders willen veiligheid, stabiliteit en rust voor alle kinderen binnen het gezin. Ook willen zij dat erkend wordt dat zij zorgzaam en betrokken zijn bij de kinderen en hen geen pijn doen. Zij willen graag dat de zorgen rondom de vermeende mishandeling weerlegd worden. Op langere termijn willen de ouders graag contactherstel met de (voormalige) pleegkinderen en een terugplaatsing van hen mits dit veilig en verantwoord kan. De ouders laten de hulp toe en accepteren die ook. De ouders zijn bereid om intensieve hulp te accepteren in de vorm van ambulante spoedhulp of een gezinsopname om te voorkomen dat de kinderen uit huis geplaatst moeten worden. Zij hebben de hulp in het vrijwillig kader geaccepteerd en zullen dat ook blijven doen. De ondertoezichtstelling heeft daarom geen meerwaarde.

5 De beoordeling

De beslissing

5.1.

De kinderrechter zal [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht stellen voor de duur van een half jaar, en het verzoek voor het overige aanhouden. De kinderrechter zal hieronder toelichten hoe zij tot deze beslissing gekomen is.

De toelichting

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_396f4256-378e-423c-bb90-cefe0e25866e] De vader ving sinds 2023 drie pleegkinderen op, de dochters van de oom van de vader, [pleegkind 1], [pleegkind 2] en [pleegkind 3] (hierna: de pleegkinderen). Later zijn de moeder en hun kinderen ook bij de vader en de pleegkinderen in [plaats] komen wonen. De pleegkinderen hebben hun voogdijwerker verteld dat zij door de ouders (hun pleegouders) worden mishandeld. Deze voogdijwerker is verbonden aan een andere GI dan de GI die betrokken is bij [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De voogd heeft de pleegkinderen elders geplaatst. Er heeft vervolgens een onderzoek door de politie plaatsgevonden.

5.3.

De Raad voor de kinderbescherming heeft in het rapport aangegeven dat er enerzijds ernstige zorgen bestaan over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie. Vanuit de voormalige pleegkinderen zijn beschuldigingen gedaan van lichamelijke mishandeling en verwaarlozing, zowel richting henzelf als richting [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Daarnaast zijn er signalen gemeld van opsluiting van kinderen in een donkere ruimte. Ook zijn er zorgen geuit over fysiek straffen, waaronder slaan met de hand, het gooien met voorwerpen en schoppen. Ouders ontkennen deze signalen en geven aan de beschuldigingen niet te herkennen. Het is de Raad onvoldoende duidelijk geworden wat zich daadwerkelijk in de thuissituatie afspeelt (en af heeft gespeeld) en in hoeverre ouders zicht hebben op mogelijk schadelijk opvoedgedrag. Daarnaast weegt voor de Raad nog het volgende mee. [minderjarige 1] is extra kwetsbaar door haar ontwikkelingsachterstand en beperkte communicatieve mogelijkheden. De jongste twee zijn vanwege hun leeftijd nog onvoldoende in staat signalen van onveiligheid zelf kenbaar te maken. Gedurende een nacht zijn de kinderen opgevangen bij [locatie] in verband met de aanhouding van de ouders door de politie. Daar kwamen signalen over onrustig gedrag en zorgen over dagelijkse (verzorgings)vaardigheden. Aan de andere kant geeft de Raad aan dat de kinderen zichtbaar positief reageerden bij hereniging met de moeder. De Raad wijst er op dat in het hulpverleningsoverleg van 12 mei 2026 door de vertegenwoordigers van hulpverlening geen signalen van onveiligheid worden beschreven.

5.4

De Raad heeft aangegeven dat het noodzakelijk is dat de GI de veiligheid nauwlettend monitort. Op dit moment is alleen geen extra hulpverlening ingezet om de veiligheid te monitoren. De enige hulpverlening is de al langer betrokken medewerker van [naam 1] die zich enkel in verband met de ASS van [minderjarige 1] op het stimuleren van haar ontwikkeling richt.

5.5.

Ruim een week voor de onderhavige zitting, dus na het opstellen van het rapport van de Raad, heeft de politie het proces-verbaal afgerond en naar het Openbaar Ministerie gezonden. Vervolgens is het in deze procedure ingebracht. In het proces-verbaal is te lezen dat [pleegkind 1] als eerste melding heeft gemaakt van mishandeling door haar pleegouders. Ze is toen onderzocht door een forensisch arts die heeft vastgesteld dat het letsel op haar bovenbenen (grote blauwe plekken) meest waarschijnlijk toegebracht letsel is dat past bij het slaan met een voorwerp. De pleegkinderen zijn uitgebreid verhoord door de politie. Zij hebben alle drie onafhankelijk van elkaar gedetailleerd verklaard over grensoverschrijdend opvoedgedrag, beperkende maatregelen, lichamelijke mishandeling, opsluiting, fysiek straffen en verwaarlozing. In het proces-verbaal bevinden zich ook getuigenverklaringen over hetgeen de pleegkinderen aan hen hebben verteld en wat zij hebben ervaren met de pleegkinderen. Een aantal van deze getuigenverklaringen bevestigen de verklaringen van de pleegkinderen. De ouders hebben alle aantijgingen van de pleegkinderen ontkend. De ouders hebben aangegeven dat de sloten aan de buitenkant van alle kamers zouden zijn aangebracht ter bescherming van de veiligheid van [minderjarige 1], die risicovol gedrag kan vertonen.

5.6.

De Raad heeft het proces-verbaal niet met de ouders kunnen bespreken en kan er daarom nog geen conclusies aan verbinden. In het raadsonderzoek is opgemerkt dat als blijkt dat de ouders zich schuldig hebben gemaakt aan kindermishandeling richting de pleegkinderen de Raad zich ernstig zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de thuissituatie.

5.7.

De kinderrechter is van oordeel dat er op dit moment door het proces-verbaal van de politie zeer grote zorgen zijn ten aanzien van de veiligheid van de kinderen bij de ouders. Op basis van de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek neemt de kinderrechter aan dat er sprake is geweest van (enige vorm van) mishandeling van de pleegkinderen. Het onderzoek is niet gericht geweest op gedragingen van de ouders ten opzichte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Dat neemt niet weg dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] iets moeten hebben gemerkt van de mishandelingen van de pleegkinderen. Alleen dat al is een vorm van mishandeling.

5.8.

Het heeft de kinderrechter hogelijk verbaasd dat er nog geen enkele vorm van hulpverlening is ingezet waardoor er nog steeds heel beperkt zicht is op de huidige situatie van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], waardoor de situatie voor de kinderen niet verbeterd is en er geen inschatting gemaakt kan worden of er sprake is van acute onveiligheid.

5.9.

Naast de zorgen over acute onveiligheid, zijn er zorgen over de ontwikkelingen van de kinderen. De zorg en opvoeding van [minderjarige 1] in verband met haar autisme zal blijvend veel van de ouders vragen. In combinatie met de jongere broertjes en de stressvolle gebeurtenissen van de laatste tijd (de aanhouding van de ouders en de tijdelijke uithuisplaatsing van de kinderen) kan de draagkracht van de ouders onder druk komen te staan. Ook de nog groeiende acceptatie van het autisme kan op de langere termijn spanningen geven, waardoor de noodzakelijke langdurige ondersteuning ter discussie kan komen te staan.

5.10.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders hebben in eerste instantie hulp afgehouden. Zij tonen zich inmiddels meewerkend richting de hulpverlening en staan open voor ondersteuning, maar ontkennen de signalen van de mishandeling en herkennen de beschuldigingen niet. Hierdoor is er onvoldoende zicht is op hun vermogen om mogelijke risico’s binnen de opvoeding te erkennen en verandering in te brengen. Doordat de ouders de Nederlandse taal niet altijd volledig begrijpen terwijl dit niet altijd wordt uitgesproken, vergroot dit het risico op misverstanden en kan het leiden tot het niet goed opvolgen van afspraken, wantrouwen of escalaties met instanties.

5.11.

De ondertoezichtstelling is gelet op al het bovenstaande nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de duur van zes maanden en houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan. De kinderrechter vindt de termijn van een half jaar passend omdat de kinderrechter vinger aan de pols wil houden.

In het belang van deze kinderen (en van deze ouders) moet zo snel mogelijk door de GI ingezet worden op hulpverlening waardoor meer zicht gekregen wordt op de situatie van de kinderen. Noodzakelijk is zeer intensieve (cultuursensitieve) ambulante opvoedhulp voor minstens drie dagen per week. Deze hulp zal moeten worden ingezet op verschillende momenten, bijvoorbeeld tijdens de ochtendroutine voor schooltijd, rond bedtijd van de kinderen en tijdens het avondeten. Van [naam 2], de organisatie die in opdracht van de gemeente specialistische hulpverlening inzet, is te verlangen dat zij zonder enige terughoudendheid meewerkt aan het inzetten van de nodige hulp. Daarnaast zal onderzocht moeten worden of weekendopvang bij een plek als [locatie] passend is.

5.12.

De GI zal de komende periode aan de volgende doelen werken:

- [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op in een opvoedsituatie waarin zij fysiek en emotioneel veilig zijn en waarin geen sprake is van lichamelijke bestraffing of onveilig opvoedgedrag.

- [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] krijgen opvoeding en begeleiding die aansluit bij hun leeftijd, ontwikkeling en specifieke behoeften.

- [minderjarige 1] krijgt passende ondersteuning die aansluit bij haar autisme, ontwikkelingsachterstand en beperkte communicatieve vaardigheden, zodat zij zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen.

- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] krijgen voldoende emotionele veiligheid, structuur en voorspelbaarheid, zodat zij zich passend bij hun leeftijd kunnen blijven ontwikkelen.

- [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] krijgen ondersteuning bij het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen van de afgelopen periode, waaronder de aanhouding van ouders en de tijdelijke uithuisplaatsing.

- [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben opvoeders en hulpverleners om zich heen die samenwerken, zodat signalen over hun veiligheid en ontwikkeling tijdig worden gezien en opgepakt. - [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op in een situatie waarin ouders openstaan voor hulpverlening en ondersteuning accepteren die nodig is om hun ontwikkeling en veiligheid te waarborgen.

5.13.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 17 juni 2026 tot 17 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting gelegen voor 17 december 2026;

6.4.

verzoekt de GI om uiterlijk 17 november 2026 schriftelijk te informeren over de dan actuele stand van zaken, hun visie over het verdere verloop en hun standpunt over een eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.M.A. Roseboom als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:255 BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.