Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 20 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4520Zaaknummer UTR 25/6897
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Publicatiedatum
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/6897
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Geen aanleiding voor het oordeel dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6897
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: W.A. Postma).
Inleiding
1. In een besluit van 16 september 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser laten weten dat hij vanaf 1 oktober 2025 maandelijks € 1.463,- aan het Uwv moet terugbetalen, omdat hij een totaalbedrag van € 49.419,05 te veel aan uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen. Bij het terug te betalen maandelijkse bedrag heeft het Uwv rekening gehouden met de beslagvrije voet van eiser en de terugbetalingsregeling van € 41,- per maand voor zijn zorgtoeslag.
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
3. In een besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Ten tijde van dit bestreden besluit moest eiser nog € 48.819,05 aan het Uwv terugbetalen.
4. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
5. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Eiser is in persoon verschenen, samen met zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen in kaart te brengen wat de situatie dat eiser gehuwd is met kinderen betekent voor de beslagvrije voet en welke gevolgen dit heeft voor het bedrag dat eiser maandelijks aan het Uwv moet terugbetalen.
6. Vervolgens heeft het Uwv op 16 april 2026 schriftelijk gereageerd dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit, genoemd in het besluit van 16 september 2025, is uitgegaan van het destijds geldende bedrag van de beslagvrije voet voor gehuwden met één of meer kinderen van € 2.888,-, geldend per 1 juli 2025. Eiser heeft op 8 mei 2026 schriftelijk gereageerd.
7. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 24 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
Beslagvrije voet
8. Het Uwv heeft bij de vaststelling van het terugbetalingsbedrag van € 1.463,- per maand rekening gehouden met de beslagvrije voet van eiser.[_fb677653-3377-4f50-a326-7e2bbb3c0217] Dit is het deel van het inkomen van eiser waarop geen loonbeslag mag worden gelegd, zodat hij zijn vaste lasten kan betalen en een bedrag overhoudt om van te leven. Voor de vaststelling van de beslagvrije voet is het Uwv uitgegaan van het netto inkomen van € 2.948,- van eiser. Dit is het gemiddelde inkomen van eiser per maand over de periode 1 mei 2025 tot en met 31 juli 2025, exclusief vakantiegeld. De beslagvrije voet voor gehuwden met kinderen was ten tijde van het primaire en het bestreden besluit gemaximeerd tot een bedrag van € 2.888,-.[_1cfe70a4-6727-4fe8-ac59-bf5ecd002fc2] Dit wordt in verband met de inkomsten van eisers echtgenote verminderd tot de helft dus € 1.444,-. Het Uwv heeft het bedrag van € 1.444,- van het inkomen van € 2.948,- afgehaald: € 1.504,-. Uit coulance heeft het Uwv hier € 41,- nog vanaf gehaald voor de betaling van zorgtoeslag. Dit heeft tot het maandelijkse terugbetalingsbedrag van € 1.463,- geleid. Eiser is niet akkoord gegaan met een voorstel van het Uwv om dit bedrag te verlagen naar € 1.356,-. Daarmee is het bedrag van € 1.463,- blijven staan.
Inkomen partner
9. Eiser vindt het niet terecht dat het Uwv bij de berekening van het terugbetalingsbedrag per maand ook het inkomen van zijn echtgenote heeft meegeteld. De schulden zijn namelijk ver voor hun huwelijk ontstaan.
10. Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, zoals bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering.
11. Uit artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat voor de vaststelling van de beslagvrije voet gebruik wordt gemaakt van het recente belastbaar inkomen van de schuldenaar (eiser) en, indien de schuldenaar gehuwd is, de echtgenoot. Dit is een dwingende bepaling. Dit betekent dat het Uwv bij de berekening van het maandelijkse terugbetalingsbedrag dan ook rekening heeft moeten houden met het inkomen van de echtgenote van eiser. Dit wordt niet anders als de schulden al zijn ontstaan voor het huwelijk met zijn echtgenote. De beroepsgrond slaagt niet.
Financiële draagkracht
12. Eiser voert verder aan dat zijn financiële situatie niet volledig is meegenomen bij de berekening van zijn beslagvrije voet. Het bedrag van € 1.463,- is niet haalbaar en brengt hem in financiële problemen. Het Uwv heeft geen rekening gehouden met zijn vaste lasten van € 3.060,50 per maand en zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft de volgende lasten: motorrijtuigenbelasting, schulden bij instanties, lopende betalingsregelingen en gezinsverplichtingen.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met andere betalingsregelingen van eiser. Op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wajong en artikel 33, eerste lid, van de ZW is de vordering van het Uwv preferent (bevoorrecht). Dat betekent dat het Uwv bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit geen rekening hoeft te houden met betalingsregelingen die eiser met andere niet preferente schuldeisers heeft getroffen. Bij zijn berekening heeft het Uwv dan ook terecht de motorrijtuigenbelasting, schulden bij instanties, lopende betalingsregelingen en gezinsverplichtingen buiten beschouwing gelaten. Het Uwv heeft in het voordeel van eiser rekening gehouden met een terugbetalingsbedrag van € 41,- per maand voor de zorgtoeslag. Het Uwv is dus al uitgegaan van een lagere aflossingscapaciteit dan waartoe hij gehouden was. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
14. Eiser stelt dat het te betalen bedrag onuitvoerbaar is voor hem en hem in financiële problemen brengt. Hij heeft achter het bezwaarschrift een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven gevoegd. Op dat overzicht staat dat hij maandelijks een negatief bedrag van € 143,40 overhoudt.
15. Voor zover eiser met deze grond bedoelt een beroep te doen op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de toelichting bij deze regeling blijkt dat het Uwv slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid om af te wijken van wat is bepaald in artikel 3 van de regeling. Er moet dan sprake zijn van een schrijnende situatie. Daarbij kan worden gedacht aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen. Eiser heeft geen stukken ingebracht om te onderbouwen dat sprake is van een dergelijke schrijnende situatie. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Verjaring
16. Ten slotte voert eiser aan dat de schuld meer dan 20 jaar oud is en daarmee is verjaard.
17. Deze beroepsgrond kan ook niet slagen.. Het beroep van eiser is namelijk gericht op het bestreden besluit waarin het Uwv heeft vastgesteld dat eiser € 1.463,- per maand moet terugbetalen, niet op de bevoegdheid van het Uwv om een totaalbedrag van € 48.819,05 terug te vorderen en de besluiten die daaraan ten grondslag liggen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet in de beroepsgronden geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv beslagvrije voet en het maandelijks terug te betalen bedrag onjuist heeft vastgesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.