Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4283Zaaknummer UTR 25/7575
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/7575
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De aanvraag van eisers om een huisvestingsvergunning is terecht afgewezen door het college wegens de samenstelling van het huishouden. De ongeboren tweeling telt niet mee en ook de (schoon)zus niet. Dat zij mantelzorg verleent is niet onderbouwd. Bovendien beschikte zij ten tijde van de aanvraag niet over de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfsvergunning. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart beroep ongegrond.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7575
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. S. van de Griek),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: M. van Uden).
Inleiding
Eisers hebben een huisvestingsvergunning aangevraagd voor de sociale huurwoning aan de [adres] in [plaats].
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Namens het college was verder aanwezig M. Ramautar.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
- De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eisers nog procesbelang hebben bij hun beroep. De vraag of sprake is van procesbelang betreft niet de vraag of eisers gelijk hebben, maar of zij een reëel en actueel belang hebben bij het gelijk, als zij dat zouden krijgen. Reëel belang vereist dat er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit. Het doel dat hun voor ogen staat, moet met het rechtsmiddel kunnen worden bereikt en voor hen feitelijk van betekenis zijn. Omdat de woning aan de [adres] inmiddels aan andere mensen is vergeven en dus niet meer aan eisers kan worden toegewezen, kan het doel dat eisers voor ogen staat niet meer worden bereikt. In zoverre hebben zij dan ook geen procesbelang meer.
- Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank echter tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij door het besluit schade hebben geleden, waardoor zij toch procesbelang hebben bij een uitspraak op hun beroep. Eisers hebben namelijk aannemelijk gemaakt dat de huurlasten voor de woning aan de [adres] lager zijn dan de huur die zij betalen voor hun huidige woning.
Het college heeft de aanvraag afgewezen
3. Het college heeft de aanvraag van eisers om een huisvestingsvergunning afgewezen, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden. De woning aan de [adres] is een eengezinswoning met een bezettingsnorm van drie of meer personen. Ten tijde van het primaire besluit bestond het huishouden van eisers uit twee personen volgens het college, waardoor deze woning niet aan hen kan worden toegewezen. De (schoonzus) van eisers wordt niet meegeteld, omdat onvoldoende is onderbouwd dat zij als mantelzorger deel uitmaakt van het huishouden van eisers. Bovendien beschikt zij niet over een geldige verblijfsvergunning. De ongeboren tweeling wordt ook niet meegeteld, omdat de Huisvestingsverordening hier geen ruimte voor biedt.
Samenstelling van het huishouden
4. Eisers stellen dat zij wel voldoen aan de voorwaarden voor een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [adres]. Volgens eisers had het college de (schoon)zus moeten meetellen bij de samenstelling van het huishouden, omdat zij de mantelzorger is van eiser. Daarnaast had het college de ongeboren tweeling, waarvan eiseres ten tijde van de aanvraag zwanger was, ook tot het huishouden moeten rekenen.
5. In artikel 1 van de Huisvestingsverordening is het begrip ‘huishouden’ gedefinieerd als een of twee volwassen personen, plus eventuele inwonende kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren. Hierbij is er niet alleen sprake van het samen (willen) bewonen van een bepaalde woonruimte, maar ook van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling en de intentie om voor onbepaalde tijd met elkaar samen te wonen. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat op grond van de Huisvestingsverordening in beginsel wordt aangenomen dat een bewoner niet met iemand anders dan zijn partner, kinderen of ouders een duurzame huishouding kan voeren. Het college heeft in dat verband ook verwezen naar de informatie op de website van DAK (Digitaal Aanbod Kanaal), waar expliciet is vermeld dat andere familieleden niet toegevoegd mogen worden aan de inschrijving. Dit kan anders zijn wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat wel sprake is van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding, bij bijvoorbeeld mantelzorgverlening. Ook ongeboren kinderen mogen niet aan de inschrijving worden toegevoegd.
6. De rechtbank is van oordeel dat het college niet gehouden is om de ongeboren tweeling van eisers bij de bezettingsnorm mee te tellen als meeverhuizend gezinslid. De Huisvestingsverordening biedt hiervoor geen ruimte. Dat woningbouwcorporaties in andere gemeenten, zoals Lelystad, ongeboren kinderen wel toevoegen als meeverhuizende, betekent niet dat het college dat in het geval van eisers ook moet doen. Het college is gebonden aan de Huisvestingsverordening van de gemeente Utrecht en niet aan de regels die in bijvoorbeeld Lelystad worden gehanteerd. Tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat deze andere keuze te maken kan hebben met een andere woningmarkt in Lelystad dan in Utrecht, die soepelere regels wellicht mogelijk maakt.
7. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college heeft kunnen oordelen dat eisers niet hebben aangetoond dat in hun geval sprake is van langdurige mantelzorgverlening door de schoonzus aan eiser. Het college hoeft voor eisers dan ook geen uitzondering te maken. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de schoonzus mantelzorgtaken uitvoert voor eiser die zorgbehoevend is, maar zij hebben op geen enkele wijze onderbouwd welke mantelzorgtaken hun (schoon)zus verleent. De stelling van eisers dat een mantelzorgverklaring niet bestaat en van hen dus niet verlangd kan worden dat zij deze overleggen, is op zichzelf juist, maar deze wordt van hen ook niet verlangd. Van eiseres wordt verlangd dat zij onderbouwen welke mantelzorgtaken de (schoon)zus langdurig op zich neemt en dat kan ook op een andere manier. Deze onderbouwing hebben eisers niet gegeven.
8. Bovendien staat vast dat de (schoon)zus van eisers ten tijde van de aanvraag om de huisvestingsvergunning niet beschikte over de Nederlandse nationaliteit dan wel een geldige verblijfsvergunning. Daarmee is niet voldaan aan artikel 3 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht, waarin staat dat de leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit moeten hebben of rechtmatig in Nederland moeten verblijven. Ook om deze reden heeft het college terecht geoordeeld dat de (schoon)zus niet tot het huishouden van eisers kan worden gerekend. Dat zij in de bezwaarfase alsnog in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning maakt dat in dit geval niet anders. Op dat moment was de woning aan de [adres] namelijk al niet meer voor eisers beschikbaar. Om die reden lag het meenemen van dit nieuwe feit bij de heroverweging van het bezwaar niet voor de hand en heeft het college de heroverweging terecht beperkt tot de vraag of ten tijde van het primaire besluit terecht is geoordeeld dat de (schoon)zus niet over een verblijfsvergunning beschikte.
De hardheidsclausule
9. Eisers voeren aan dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Eisers hebben in dat kader naar voren gebracht dat zij willen verhuizen naar Utrecht, omdat hun directe familieleden daar wonen. Eisers bevinden zich in een kwetsbare positie. Zij leven van een bijstandsuitkering en beschikken niet over eigen vervoer. Daarbij is eiser zorgbehoevend. In verband met de verwachte tweeling is het voor eisers van groot belang dat zij in acute situaties op familieleden kunnen terugvallen voor ondersteuning. Eisers zijn vanwege hun financiële beperkingen niet in staat om kort na de bevalling opnieuw te verhuizen.
10. Op grond van de hardheidsclausule kan het college in bijzondere gevallen een artikel van de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan, gelet op het belang dat deze verordening beoogt te beschermen, tot onaanvaardbare hardheid zou leiden. De hardheidsclausule wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegepast. Er kan niet vooraf worden geconcretiseerd om welke gevallen en welke gevolgen het zal gaan.
11. De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dat eisers willen verhuizen vanwege ondersteuning van familie, zodra de tweeling is geboren, betekent niet dat sprake is van een incidentele noodsituatie. De situatie van eisers is niet anders dan van veel andere personen in vergelijkbare gevallen. Eisers hebben ook niet concreet gemaakt dat de huidige woning ongeschikt is voor een gezin met twee kleine kinderen en een verhuizing daarom eerder noodzakelijk is. Het college heeft in het bestreden besluit verder terecht gesteld dat eisers, als de tweeling is geboren, binnen afzienbare tijd in aanmerking kunnen komen voor de gevraagde huisvestingsvergunning voor een grotere sociale huurwoning.
Evenredigheid
12. Volgens eisers is de weigering van de huisvestingsvergunning vanwege de nadelige gevolgen ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12. De rechtbank is van oordeel dat de weigering om de huisvestingsvergunning te geven niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft uiteengezet dat de strikte toepassing van de voorrangsregels van de Huisvestingsverordening bijdraagt aan een rechtvaardige verdeling van de krappe woningmarkt in de gemeente Utrecht. Het college heeft aan dat met de weigering van de huisvestingsvergunning te dienen doel, een zwaarder gewicht mogen toekennen dan aan de nadelige gevolgen daarvan voor eisers. Daarbij heeft het college meegewogen dat als de kinderen zijn geboren, eisers alsnog voldoen aan de voorwaarden voor een sociale huurwoning voor drie of meer personen. Voor zover sprake is van nadelige gevolgen voor eisers, omdat zij voor de geboorte van hun kinderen nog niet kunnen verhuizen, zijn deze gevolgen dus van tijdelijke aard.
Internationale verdragen
14. Eisers voeren aan dat het besluit in strijd is met de rechten van het kind, gewaarborgd in artikel 27 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.
14. Artikel 27 van het IVRK bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing omdat zij niet voldoende concreet zijn. Deze normen behoeven dan ook nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving. Het beroep op dit artikel kan reeds daarom geen doel treffen.
14. Van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het doel van artikel 8 van het EVRM is het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. Daarom moet worden beoordeeld of in het besluit om een huisvestingsvergunning te weigeren een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van eisers en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. Uit het bovenstaande oordeel over de weigering van de huisvestingsvergunning volgt dat er sprake is van een juist evenwicht tussen beiden belangen. De rechtbank voegt daaraan het volgende toe. Uit artikel 8 van het EVRM vloeit niet voort dat het college ervoor moet zorgen dat eisers op het door hen gewenste moment in Utrecht kunnen wonen. Eisers hebben ook niet nader onderbouwd dat het weigeren van de huisvestingsvergunning hen belemmert in het uitoefenen van hun (toekomstige) privé- of familieleven. Zij beschikken immers over woonruimte in [plaats]. Evenmin is gebleken dat het college zich van de belangen van de (ongeboren) kinderen van eisers onvoldoende rekenschap heeft gegeven.
14. Alles wat eisers verder nog naar voren hebben gebracht, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een onrechtmatig besluit.Conclusie en gevolgen
14. Uit het voorgaande volgt dat het college terecht heeft vastgesteld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [adres] in [plaats] en dat deze daarom terecht is afgewezen. Van een onzorgvuldig genomen of onvoldoende gemotiveerd besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake.
14. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van het college wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart beroep ongegrond.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.