Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4096Zaaknummer UTR 26/5448
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/5448
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, want het is onduidelijk wie verweerder is en om welk besluit het gaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5448
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
Onbekende verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker die hij op 19 mei 2026 heeft ingediend bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft (het besluit) overleggen. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2. Bij het verzoekschrift van 19 mei 2026 heeft verzoeker het bezwaar- of beroepschrift en het besluit niet overgelegd. De griffier heeft verzoeker bij brief van 20 mei 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Verzoeker is erop gewezen dat het verzoek anders niet in behandeling kan worden genomen. Voor de rechtbank is het immers onbekend om welk besluit en om welke verweerder het hier zou gaan.
3. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd.
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.