Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3952Zaaknummer UTR 26/630
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Publicatiedatum
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/630
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wet hersteloperatie toeslagen. Herzieningsbesluit na ontdekken fouten in de berekening bij eerdere beslissing op bezwaar. Dienst toeslagen hoefde eiseres niet nogmaals in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/630
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de herziening van een eerder door de Dienst Toeslagen genomen beslissing op het bezwaar van eiseres tegen de integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014. Dienst Toeslagen heeft ontdekt dat in de berekening van de compensatie kinderopvangtoeslag waar eiseres recht op heeft bij de eerste beslissing op bezwaar fouten zijn gemaakt. Deze fouten heeft Dienst Toeslagen met het herzieningsbesluit hersteld en hij heeft aan eiseres een hoger bedrag aan compensatie toegekend.
Eiseres is het niet eens met het herzieningsbesluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar zoon [naam], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk krijgt. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is de omvang van het geschil?
3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dus recht heeft op compensatie.
4. Naast de procedure over de compensatie kinderopvangtoeslag, heeft eiseres ook een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade die zij heeft geleden. Eiseres is het niet eens met de beslissing op die aanvraag. Maar daar gaat deze uitspraak niet over. Over de beslissing van de Commissie Werkelijke Schade vindt op een later moment nog een zitting bij de rechtbank plaats en daarover zal de rechtbank apart uitspraak doen.
5. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres eerder ook beroep heeft ingesteld tegen de eerste beslissing op bezwaar over de integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag. Dit beroep heeft eiseres voordat de rechtbank uitspraak had gedaan weer ingetrokken. Dit betekent dat wat in de eerste beslissing op bezwaar door Dienst Toeslagen is vastgesteld in rechte vast staat. Hiertegen staan geen rechtsmiddelen meer open.
6. Het geschil dat nu aan de rechtbank ter beoordeling voorligt, gaat alleen over wat Dienst Toeslagen met het herzieningsbesluit heeft gewijzigd ten opzichte van de eerste beslissing op bezwaar. Alleen daarover kan de rechtbank in deze uitspraak een oordeel geven.
7. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank in deze uitspraak geen oordeel geven over de vraag of Dienst Toeslagen voldoende rekening heeft gehouden met de immateriële schade die eiseres heeft geleden en met haar toekomstperspectieven en die van haar gezin. Daar gaat het besluit waarover de rechtbank in deze uitspraak een oordeel moet geven niet over.
Wat is er met het herzieningsbesluit veranderd ten opzichte van de eerste beslissing op bezwaar?
8. Uit het herzieningsbesluit, het verweerschrift en de toelichting die Dienst Toeslagen op de zitting heeft gegeven, blijkt dat Dienst Toeslagen met het herstelbesluit twee onderdelen in de berekening bij de eerste beslissing op bezwaar heeft hersteld:
- in de berekening van het bedrag dat naar aanleiding van de integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag aan eiseres moest worden uitgekeerd, heeft Dienst Toeslagen bij de eerste beslissing op bezwaar ten onrechte het gehele bedrag dat bedoeld was als aanvullende vergoeding werkelijke schade met de compensatie kinderopvangtoeslag verrekend. Alleen de schadecomponent die in beide procedures wordt meegenomen had, om een dubbeling te voorkomen, verrekend moeten worden. Dat is de forfaitaire schadevergoeding voor immateriële schade waarvoor per half jaar een vergoeding van € 500,- wordt toegekend;
- ij de berekening van de vergoeding werkelijke schade is rekening gehouden met een bedrag van € 7.000,- aan forfaitaire immateriële schadevergoeding. Maar op het moment van de herziening moest worden uitgegaan van € 10.000,-.
9. Naast dat Dienst Toeslagen deze onderdelen heeft hersteld, heeft zij voor het extra tijdsverloop tussen de eerste beslissing op bezwaar en het herzieningsbesluit aan eiseres een hoger bedrag aan forfaitaire immateriële schadevergoeding en rente toegekend. Deze wijzigingen betreffen geen herstel van de eerdere beslissing op bezwaar, maar enkel een doorberekening van deze schadeposten, omdat inmiddels meer tijd is verstreken.
10. De rechtbank stelt vast dat aan de grondslagen van de berekening van het compensatiebedrag verder niets is veranderd. De rechtbank geeft daarom geen oordeel over die grondslagen. Die staan, zoals vermeld onder 5, vast.
Waarover gaat het geschil?
11. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat zij de berekening van het compensatiebedrag van de kinderopvangtoeslag die Dienst Toeslagen in het herzieningsbesluit heeft gemaakt niet betwist.
12. Wat eiseres aanvoert is dat zij ten onrechte niet is gehoord voordat Dienst Toeslagen het herzieningsluit heeft genomen. Volgens eiseres is dit in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder voert zij aan dat Dienst Toeslagen op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb aan haar over de nabetaling wettelijke rente had moeten betalen. En zij vraagt om een proceskostenvergoeding.
Had Dienst Toeslagen eiseres nogmaals in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord?
13. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat Dienst Toeslagen eiseres in de bezwaarfase heeft gehoord. De vraag die partijen verdeeld houdt is of Dienst Toeslagen voordat hij het herzieningsbesluit nam eiseres nogmaals had moeten horen.
14. Uit artikel 7:9 van de Awb volgt dat Dienst Toeslagen eiseres nogmaals in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord, wanneer na het horen aan hem nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de ontdekking van een rekenfout geen nieuw feit en ook geen nieuwe omstandigheid als hier wordt bedoeld. Het herzieningsbesluit ziet op een rekenkundig herstel van een berekening waarvoor de relevante feiten en omstandigheden al bekend waren en niet zijn gewijzigd. En dus hoefde Dienst Toeslagen eiseres niet opnieuw in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
Had Dienst Toeslagen aan eiseres rente moeten vergoeden over de nabetaling op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb?
15. Artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is niet van toepassing als bij wet een andere regeling is getroffen.[_7249c3a0-c821-404c-ac52-1bde2c2df5ed] Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier het geval. In de Wet herstel toeslagen is voorzien in een rentevergoeding bij compensatie van de kinderopvangtoeslag. Dienst Toeslagen heeft deze rentevergoeding tot aan de datum waarop hij het herzieningsbesluit heeft genomen toegepast. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb.
Krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten?
16. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat haar verzoek om een proceskostenvergoeding in het beroepschrift alleen ziet op de proceskosten van deze beroepsprocedure tegen het herzieningsbesluit. Daarover zal de rechtbank hierna onder de conclusie een beslissing nemen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het herzieningsbesluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.