Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3619Zaaknummer UTR 26/3417
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/3417
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van spoedeisend belang.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3417
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
In het bestreden besluit van 23 april 2026, verzonden op 30 april 2026, heeft het college verzoekers bijstandsuitkering herzien. De bijstandsuitkering is voor de periode 1 mei 2025 tot en met 31 juli 2025 én de periode 1 september 2025 tot en met 28 februari 2026 herzien, omdat verzoeker in die periode recht had op een lagere norm dan aan hem is uitbetaald. Als gevolg daarvan is vastgesteld dat verzoeker € 4.823,78 aan teveel ontvangen bijstand moet terugbetalen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert over het spoedeisend belang aan dat hij de opgelegde boete niet kan betalen. Zijn inkomen bestaat alleen uit de bijstandsuitkering. Ook kan hij vanwege zijn bijstandsuitkering geen lening krijgen.
4. De rechtbank heeft verzoeker in de brief van 18 mei 2026 gevraagd om te onderbouwen (zo mogelijk met stukken) welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. Daarbij is opgemerkt dat het enkel ontbreken van schorsende werking aan het bezwaar mogelijk niet voldoende is om een voorziening te treffen. Op 22 mei 2026 heeft verzoeker gevraagd om uitstel voor het onderbouwen van zijn spoedeisend belang. Hij wil namelijk bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar advies inwinnen. In de brief van 29 mei 2026 is aan verzoeker twee weken de tijd gegeven om het spoedeisend belang te onderbouwen. Verzoeker heeft niet meer gereageerd.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed. De stelling dat hij het terugbetalen van de boete (de rechtbank leest hier ‘de teveel ontvangen uitkering’) niet kan (terug)betalen, is hiervoor onvoldoende. Het is niet gebleken dat verzoeker in een acute financiële noodsituatie terecht komt. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat uit het bestreden besluit volgt dat het mogelijk is om afspraken te maken over de terugbetaling.[_9b5ef625-937f-4a92-a381-c9242ca90f79] Zo staat in het bestreden besluit het volgende:
“Als u het terug te betalen bedrag niet op tijd terugbetaalt of geen afspraken over de terugbetaling maakt, zal de gemeente Stichtse Vecht overgaan tot het afgeven van een dwangbevel. Dit geldt ook als u de afspraken over de terugbetaling niet meer nakomt.” [_7d7ea160-f307-4ccf-b3ec-ce28d32441c9]
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker al dan niet afspraken heeft gemaakt over de terugbetaling van de teveel ontvangen uitkering.
6. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat op dit moment nog geen boete is opgelegd. In het bestreden besluit staat dat verweerder dit gaat onderzoeken en verzoeker hierover nog bericht krijgt.
7. Conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Er is dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.