Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 17 maart 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:1267Zaaknummer UTR 26/965

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/965
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

vovo, bz, griffierecht niet voldaan, verzoek NO.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. van Manen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/965

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: S.A.R. Joemmanbaks).

Inleiding

  • In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om het besluit van 29 januari 2026 van het college te schorsen en het college op te dragen om de door hem ingediende aanvraag opnieuw te beoordelen.
  • Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit is geregeld in de artikelen 8:82 en 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht. In deze zaak is het griffierecht € 200,-.

4. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Binnen die termijn moet het hele bedrag bijgeschreven zijn op de rekening van de rechtbank of betaald zijn op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?

5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 30 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoeker heeft het griffierecht niet (op tijd) betaald. Voor dit verzuim heeft verzoeker geen geldige reden gegeven. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. van Manen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.