Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 24 maart 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:1146Zaaknummer C/16/603606 / FO RK 25-1536

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/16/603606 / FO RK 25-1536
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Informele rechtsingang van minderjarige die uit huis geplaatst is en een bijzondere curator wil. Minderjarige is inmiddels gesloten geplaatst en heeft nu advocaat. Minderjarige meerdere keren niet gekomen naar kindgesprek. Geen benoeming bijzondere curator.

De rechtbank:

4.1.

maakt geen gebruik van haar ambtshalve bevoegdheid om een beslissing te nemen.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T. Dopheide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L.A. Nettekoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Waar de procedure over gaat
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/603606 / FO RK 25-1536

Informele rechtsingang

Beschikking van 24 maart 2026 naar aanleiding van de op 20 november 2025 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:251a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

[de vader],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vader,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd in Utrecht,

hierna te noemen: de GI.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft op 20 november 2025 de brief ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.

1.2.

Op 8 december 2025 heeft de rechtbank de ouders en de GI ingelicht over de brief van [minderjarige] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.

1.3.

De rechtbank heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 16 december 2025. [minderjarige] is bij dat gesprek niet verschenen.

1.4.

Op 19 december 2025 heeft de rechtbank de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Hierbij zijn (digitaal) verschenen:

  • mevrouw [A.] namens de GI;
  • mevrouw [B.] namens de Raad.
1.5.

Na de zitting is nog tweemaal geprobeerd om [minderjarige] (digitaal) te spreken. Ook bij die gesprekken is [minderjarige] niet verschenen.

2 Waar de procedure over gaat

2.1.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige]. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.

2.2.

[minderjarige] staat sinds 31 augustus 2021 – met een korte onderbreking – onder toezicht van de GI.

2.3.

Op 19 januari 2026 heeft de GI laten weten dat [minderjarige] op dit moment met een machtiging van de kinderrechter geplaatst is in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.

2.4.

[minderjarige] heeft de kinderrechter in haar brief gevraagd om een bijzondere curator te benoemen, zodat die haar stem kan vertegenwoordigen in het contact met de hulpverleners. [minderjarige] verbleef toen nog bij een open groep. Zij vond dat zij daar teveel werd beperkt in haar vrijheden, en wilde daar iets aan doen.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank zal geen gebruik maken van haar ambtshalve bevoegdheid om een beslissing te nemen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.

Geen contact met [minderjarige]

3.2.

Ondanks meerdere pogingen daartoe, is het de rechtbank niet gelukt om met [minderjarige] te spreken na de ontvangst van haar brief. Op het moment van de eerste twee gesprekken die waren gepland was [minderjarige] vermist. Op het moment van het derde geplande gesprek was [minderjarige] al gesloten geplaatst. De link voor digitale deelname aan het gesprek met de kinderrechter is door de GI naar de groep van [minderjarige] gestuurd, maar [minderjarige] is niet in het gesprek verschenen. De rechtbank kan dus niet beoordelen hoe [minderjarige] graag wil dat het verder gaat.

3.3.

Vooralsnog lijkt de wens van [minderjarige] echter te zijn ingehaald door de realiteit. [minderjarige] ’s bezwaren zagen op het beperkt worden in haar vrijheden, terwijl ze in een open accommodatie voor jeugdhulp geplaatst was. Inmiddels is [minderjarige] echter gesloten geplaatst, en is de situatie dus veranderd. [minderjarige] heeft daardoor ook een advocaat toegewezen gekregen. Gelet daarop acht de rechtbank het niet opportuun om daarnaast nog een bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige]. De rechtbank ziet voor een bijzondere curator geen taak (meer) weggelegd.

Brief aan [minderjarige]

3.4.

De rechtbank heeft [minderjarige] op de hoogte gebracht van deze gang van zaken via een brief. In die brief is de volgende tekst opgenomen:

“Beste [minderjarige],

Afgelopen november heb jij een brief geschreven aan de kinderrechter. Je hebt daarin geschreven dat je vindt dat je te veel wordt beperkt in je vrijheden bij [instelling], terwijl je niet gesloten geplaatst bent. Je wilde daarom graag een bijzondere curator die jou daarbij zou kunnen helpen.

Volgens mij is er na jouw brief heel veel gebeurd. Ik heb van jouw jeugdbeschermer [A.] begrepen dat je twee keer bent weggelopen. Dat was precies op de momenten dat wij een gesprek met jou hadden gepland. [A.] heeft ook verteld dat je inmiddels gesloten geplaatst bent. Ik heb jou via [A.] en de groep nog een keer een link gestuurd om met mij digitaal een gesprek te voeren over je brief, maar toen was je er niet. Dat is ook prima. Ik denk namelijk dat wat jij hebt gevraagd in je brief, ook alweer een beetje achterhaald is. Je verblijft nu niet meer bij [instelling] en je hebt inmiddels je eigen advocaat gekregen, omdat je gesloten geplaatst bent. Een bijzondere curator zou nu dus niet zo veel meer toevoegen.

Dat betekent dat ik verder geen beslissing ga nemen naar aanleiding van jouw brief. Als je nog vragen hebt, kun je die stellen aan je advocaat of aan [A.]. Ik wens jou het allerbeste.”

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

maakt geen gebruik van haar ambtshalve bevoegdheid om een beslissing te nemen.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T. Dopheide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L.A. Nettekoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.