Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 15 december 2025

ECLI:NL:RBMNE:2025:7975Zaaknummer UTR 25/2148

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/2148
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wia, tussenuitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd hoe er bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden met de door haar opgegeven therapieën, in het bijzonder met de recuperatietijd. Dit maakt dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen. De rechtbank doet daarom tussenuitspraak en stelt het Uwv in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

De rechtbank:

- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- stelt eiseres in de gelegenheid om binnen acht weken na de herstelpoging van het Uwv, schriftelijk hierop te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. De zorgvuldigheid van de besluitvorming
  5. De juistheid van het medisch oordeel
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Samama)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

  • In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 15 april 2025 waarin het Uwv heeft beslist dat eiseres per 29 mei 2024 ongewijzigd recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (WIA-uitkering) die gebaseerd is op een mate van arbeidsongeschiktheid van 76,14%. Voorgeschiedenis en besluitvorming
  • Eiseres heeft zich op 1 juni 2022 ziekgemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW) wegens belemmerende gezondheidsklachten, te weten een burn-out en depressieve problematiek. Daarvoor was zij werkzaam als [functie] voor 25,42 uur per week via [bedrijf] B.V. Dat dienstverband liep af op 28 februari 2022. Na het aflopen van haar wachttijd heeft eiseres op 5 maart 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Aan eiseres is met het besluit van 15 mei 2024 een WIA-uitkering toegekend, waarbij zij 73,22% arbeidsongeschikt is geacht. Tegen dit besluit is door eiseres bezwaar gemaakt.

3. Op 5 december 2024 heeft eiseres een ‘Melding te late beslissing Uwv’ ingediend, wegens het uitblijven van de beslissing op haar bezwaar. Per brief van 4 februari 2025 is aan eiseres medegedeeld dat de maximum periode om een beslissing te nemen is verlopen en dat er een dwangsom à € 1.442,- aan eiseres wordt toegekend.

4. Op 20 maart 2025 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door het Uwv op haar bezwaar. In het verweerschrift van 31 maart 2025, ontvangen 1 april 2025, heeft het Uwv aangegeven dat de beslistermijn is overschreden wegens afwachting van medische gegevens van de behandelaar en dat daarvoor een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb is verbeurd.

5. Vervolgens is met de beslissing op bezwaar van 15 april 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij aangepast naar 76,14% en blijft onveranderd in de klasse 65-80%.

6. Eiseres heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet ingetrokken en wenst de procedure tevens voort te zetten tegen het bestreden besluit. Zij is het niet eens met het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage en stelt dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft op 2 september 2025 gereageerd op het beroep van eiseres. Op 23 september 2025 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend. Per brief van 30 september 2025, door de rechtbank ontvangen op 2 oktober 2025, heeft het Uwv gereageerd op de aanvullende gronden van eiseres.

7. Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen

8. De rechtbank stelt voorop dat een betrokkene beroep kan instellen bij de rechtbank als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift. Voordat betrokkene beroep kan instellen, moet hij per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.[_7f77bc63-f0be-4df3-9d45-d1bb07b7b495]

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 20 maart 2025 bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, wegens het niet tijdig beslissen door het Uwv op haar bezwaar. Voorafgaand aan het beroep heeft eiseres op 5 december 2024 een ‘Melding te late beslissing Uwv’ ingediend. Per brief van 4 februari 2025 is door het Uwv aan eiseres medegedeeld dat de maximum periode om een beslissing te nemen is verlopen en dat er een dwangsom à € 1.442,- wordt toegekend. Vervolgens is met de beslissing op bezwaar van 15 april 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dat betekent dat in de einduitspraak het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Er is immers inmiddels een besluit genomen, waardoor eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Eiseres heeft wel recht op een vergoeding van de proceskosten die zij in verband met dit beroep heeft moeten maken. Daar zal de rechtbank in de einduitspraak een beslissing over nemen.

Het beroep tegen het bestreden besluit van 15 april 2025

10. In het navolgende zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit bespreken.

10. De rechtbank moet aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven. Dit betekent dat de rechtbank zal beoordelen of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres’ gezondheidsklachten en beperkingen die daaruit voortvloeien per 29 mei 2024 leiden tot een arbeidsongeschiktheid van 76,14%.

10. Tussen partijen is in geschil of de urenbeperking zoals aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende toereikend is. Niet in geschil zijn de overige door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen in de categorieën 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houdingen.

De zorgvuldigheid van de besluitvorming

13. De vereisten waaraan de besluitvorming van het Uwv moet voldoen, vloeien voort uit de Algemene wet bestuursrecht en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). Rapporten van verzekeringsartsen moeten blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en moeten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn. Als een rapport van een verzekeringsarts niet voldoet aan de kwaliteitseisen die in artikel 4 van het Sb zijn neergelegd, kan het bestreden besluit alleen al om die reden geen stand houden.

13. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is het volgende van belang. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 25 april 2024 blijkt dat het dossier is bestudeerd en dat eiseres op 23 april 2024 is gezien op een spreekuur. Tijdens het spreekuur heeft de verzekeringsarts een uitgebreide anamnese afgenomen, waarbij zij psychisch is onderzocht. De bevindingen van de verzekeringsarts op basis van deze onderzoeken staan inzichtelijk weergegeven in het rapport. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier en de informatie die in bezwaar is verkregen bestudeerd en de hoorzitting van 31 januari 2025 bijgewoond.

De juistheid van het medisch oordeel

15. Ter beantwoording van de vraag of het medisch oordeel van het Uwv wordt gevolgd, beoordeelt de rechtbank of eiseres met wat zij heeft aangevoerd, twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de beoordeling.

15. Eiseres kampt met verschillende psychische gezondheidsklachten. Bij haar is onder andere ADD, hoogbegaafdheid en autisme gediagnostiseerd. Ook kampt zij met burn out- en depressieve klachten. Vanwege deze psychische gezondheidsklachten volgt zij uiteenlopende therapieën. Eiseres geeft aan dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening is gehouden met de verwerkings- en reistijd omtrent de verschillende vormen van therapie die zij volgt. Eiseres stelt dat om die reden een verdergaande urenbeperking dient te worden aangenomen. Op de zitting heeft eiseres nog toegelicht dat zij de vastgestelde uren niet kan inpassen in kantooruren gezien de reistijd en de verwerkingstijd van de tien verschillende plekken waar zij therapie volgt. Volgens eiseres zijn de uren die zij volgens het Uwv beschikbaar zou moeten zijn helemaal niet realistisch. Door eiseres is ook nog aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de 10 uur vrijstelling die zij krijgt voor ZZP-activiteiten. Ten slotte vindt eiseres dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar tussentijdse recuperatiebehoefte.

15. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 april 2025 toegelicht dat vanwege therapie een urenbeperking van 14 uur per week wordt aangenomen. Onder meer wordt toegelicht dat voor de behandeling van de ergotherapeut eens in de 2-3 weken, de haptotherapeut wekelijks, schematherapie twee keer in de week, fysiotherapie eens in de 2 tot 3 weken en 5 uur gezinsbegeleiding vanuit de WMO, met recuperatie en huiswerkopdrachten ruimschoots rekening is gehouden. De uren reistijd naar en van behandelaars zijn bij het vaststellen van de belastbaarheid voor rekening van belanghebbende. Bovendien blijkt uit de briefhoofden van de ergotherapeut en fysiotherapeut dat de behandellocatie in de woonplaats van belanghebbende is. Toegelicht wordt dat behandelingen binnen de alternatieve geneeskunde, die niet binnen de zorgverzekering vallen, buiten beschouwing blijven. Op de zitting is door de gemachtigde van het Uwv nog uitgelegd dat de vrijstelling voor ZZP-activiteiten die eiseres in het kader van haar inkomsten krijgt niet direct doorwerkt in het kader van de urenbeperking.

15. De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe er rekening is gehouden met de door eiseres opgegeven therapieën. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt weliswaar benoemd dat reistijd voor rekening van eiseres dient te komen. Dat kan de rechtbank volgen. Maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet toegelicht of en zo ja, op welke manier rekening is gehouden met de recuperatietijd.

15. Daarnaast is op de zitting gebleken dat de opgevraagde informatie van GGZ-instelling [locatie] inmiddels is ontvangen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Een kopie van deze informatie is ter zitting overgelegd en aan het dossier toegevoegd. Op de zitting is door de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat hij via email contact heeft gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat de opgevraagde informatie van [locatie] geen aanleiding geeft tot herziening van het standpunt.

15. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van [locatie] niet kenbaar heeft betrokken bij de conclusies over de arbeidsongeschiktheid van eiseres. De rechtbank moet het doen met de mededeling van de gemachtigde van het Uwv op zitting dat deze informatie niet tot een ander standpunt leidt, maar dat is onvoldoende. De rechtbank kan nu bijvoorbeeld niet beoordelen hoe die informatie is gewogen in het kader van de vastgestelde urenbeperking en ook eiseres kan zich daar niet over uitlaten. Uit de informatie die op zitting is overgelegd blijkt bovendien dat sprake is van een ‘ernstig depressieve stoornis’ en een ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Zonder toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het onduidelijk waarom dat niet tot meer beperkingen leidt, temeer nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport uitgaat van de diagnose ‘status na burnout’.

De arbeidskundige beoordeling

21. Eiseres heeft in haar beroepschrift het standpunt ingenomen dat de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden en dat deze niet passend zijn vanwege het solitaire karakter. Omdat het nog niet duidelijk is of de urenbeperking juist in de FML is opgenomen, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat de geselecteerde functies passend zijn.

Conclusie en gevolgen

22. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd hoe er bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden met de door haar opgegeven therapieën, in het bijzonder met de recuperatietijd. Die toelichting is wel nodig, omdat in het dagverhaal van eiseres en in wat zij naar voren heeft gebracht op de zitting, naar voren komt dat er sprake is van een lange(re) verwerkings- of recuperatietijd. Bovendien is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nagelaten een motivering op te nemen over de opgevraagde informatie die van [locatie] is ontvangen. Dit maakt dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen.[_882a4b8a-61f1-4362-91b7-2927598b6f0e] De rechtbank doet daarom tussenuitspraak en stelt het Uwv in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.[_a49b7b13-d294-4ecf-9423-de3b00365c8f] De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet toelichten hoe bij de vaststelling van de urenbeperking rekening is gehouden met de recuperatietijd en moet daarbij het dagverhaal van eiseres betrekken. Verder moet de verzekeringsarts toelichten waarom de informatie van [locatie] niet tot meer beperkingen leidt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet daarbij betrekken dat uit die informatie blijkt dat sprake is van een dat sprake is van een ‘ernstig depressieve stoornis’ en een ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Dit kan met een aanvullende motivering of (voor zover nodig) met een nieuw besluit op bezwaar na of tegelijkertijd met de intrekking van het bestreden besluit. Als het Uwv tot de conclusie komt dat in de FML rekening moet worden gehouden met een grotere urenbeperking, dan moet het Uwv ook onderzoeken wat dat betekent voor de geselecteerde functies.

23. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

24. Als het Uwv gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid en het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen acht weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

25. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

26. De rechtbank wijst erop dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat zij het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde acht.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- stelt eiseres in de gelegenheid om binnen acht weken na de herstelpoging van het Uwv, schriftelijk hierop te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.