Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 maart 2025

ECLI:NL:RBMNE:2025:7140Zaaknummer UTR 23/5749

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 maart 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
UTR 23/5749
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Verzet
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzet gegrond; aangetekende nota niet ontvangen; opnieuw in gelegenheid stellen om griffierecht te betalen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/5749-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2025 op het verzet van

[opposante], te [plaats], opposante,

(gemachtigde: mr. C.L.Schuren)

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 23 oktober 2023.

In de uitspraak van 7 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 7 maart 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 7 maart 2024 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 7 maart 2024 niet juist omdat de hoogte van het griffierecht in de eerst verstuurde nota onjuist was. Er is € 50,- in rekening gebracht, zijnde het griffierecht voor particulieren. Opposante heeft destijds hierover laten bellen met de rechtbank, maar hier nooit meer iets van gehoord. Opposante zegt dat zij de tweede nota, bij aangetekende brief van 29 december 2023, inzake het griffierecht nooit heeft ontvangen, zoals wel wordt gesteld in onderhavige uitspraak.

4. Als een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende ontkent de ontvangst ervan, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.

5. Ten aanzien van de aangetekende verzending van de brief van 29 december 2023 heeft de rechtbank een uitdraai van de track and trace van PostNL. Hierop is te zien dat het poststuk is bezorgd op 3 januari 2023 om 06:41 uur en is ondertekend door [persoon] met opmerking ’29 items’. Na verificatie op de website van en telefonisch navraag bij het kantoor van de gemachtigde van opposante is de rechtbank gebleken dat [persoon] daar niet werkzaam is. Bij deze stand van zaken is de verzetsrechter van oordeel dat op basis van deze gegevens de feitelijke gang van zaken rond de bezorging niet is vast te stellen. De verzetsrechter is van oordeel dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat opposante op de hoogte is gebracht van de aangeboden aangetekende brief van 29 december 2023.

6. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 7 maart 2024 vervalt (artikel 8:55, lid 9, van de Awb).

7. De rechtbank zal opposante opnieuw in de gelegenheid stellen om het griffierecht van

€ 365,- te voldoen. Opposante krijgt hierover nog bericht. Het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

8. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.