Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 20 februari 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:563Zaaknummer UTR 24/8230
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 februari 2025
- Publicatiedatum
- 5 maart 2025
- Zaaknummer
- UTR 24/8230
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker heeft het gestelde spoedeisend belang niet met stukken onderbouwd.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8230
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. D. Eijpe),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR(gemachtigde: E.D. de Vries)
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de oplegging van een medisch onderzoek en de schorsing van zijn rijbewijs.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met het besluit van 11 december 2024 heeft het CBR besloten dat verzoeker een medisch onderzoek moet laten doen. Ook is zijn rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker heeft gesteld dat zijn rijbewijs onmisbaar is voor zijn beroep als installatiemonteur. Omdat hij nu geen rijbewijs heeft, heeft hij geen inkomsten. Bij brief van 23 december 2024 heeft de voorzieningenrechter verzoeker gevraagd binnen twee weken met stukken te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorziening vereisen. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd. Verzoeker heeft daarmee niet met stukken onderbouwd of nader toegelicht dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs op korte termijn zijn baan en inkomsten zal verliezen en als gevolg daarvan niet meer in zijn primaire levensbehoeften zal kunnen voorzien.
- De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verder volgt uit wat is aangevoerd niet op voorhand dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.