Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 maart 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:2356Zaaknummer UTR 24/8363
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 maart 2025
- Publicatiedatum
- 30 mei 2025
- Zaaknummer
- UTR 24/8363
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een connexe bezwaarschriftprocedure.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.
| de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8363
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], mede namens en als directeur van [bedrijf] B.V., uit [plaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, het college
(gemachtigde: mr. B.M. Plat).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over de verlenging van een begunstigingstermijn.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en daarbij een besluit overgelegd van het college van 13 december 2024, waarin een eerder aan hem verleende begunstigingstermijn voor de derde keer is verlengd tot 15 januari 2025. Daarbij is aan verzoeker medegedeeld dat hij vanaf 15 januari 2025 de opgelegde dwangsom verbeurt wegens het laten gebruiken van de woning aan de [adres] in [plaats] in strijd met het bestemmingsplan en de Huisvestingswet en -verordening. Onder dit besluit staat dat verzoeker daartegen bezwaar kan maken.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het besluit van 13 december 2024. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 30 december 2024 verzocht om een kopie toe te sturen van het bezwaarschrift. Verzoeker heeft daarop gereageerd en de rechtbank stukken toegestuurd, maar geen bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 13 december 2024. Ook bij de stukken die het college aan de rechtbank heeft toegestuurd, zit geen bezwaarschrift gericht tegen dit besluit. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaarprocedure loopt tegen het besluit van 13 december 2024. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.
Conclusie en gevolgen
2. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.
| de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.