Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 17 mei 2023

ECLI:NL:RBMNE:2023:2557Zaaknummer 16.291074-21

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 mei 2023
Publicatiedatum
10 juli 2023
Zaaknummer
16.291074-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Raadkamer
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bezwaar ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. H.B.W. Beekman en

E.G. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesgang
  2. Bezwaar
  3. Standpunt van de verdediging
  4. Standpunt van het Openbaar Ministerie
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.291074.21Raadkamernummer: 23.010611

beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende aan de [adres], [woonplaats],

hierna te noemen: verdachte

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 26 april 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 17 mei 2023 het bezwaarschrift in besloten raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord officier van justitie mr. M. Kamper, verdachte en zijn raadsman

mr. K. Karakaya, advocaat te Apeldoorn.

Bezwaar

Het bezwaar is gericht tegen de door de officier van justitie uitgebrachte dagvaarding van 14 april 2023 voor zover die betrekking heeft op het daarbij onder feit 3 tenlastegelegde. Onder feit 3 wordt verdachte, zakelijk weergegeven, verweten dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 25 oktober 2021 in Hilversum handelingen heeft verricht ter voorbereiding en/of bevordering van de productie van middelen die op lijst I en lijst II van de Opiumwet zijn vermeld door daarvoor bestemde goederen en een bedrijfspand voorhanden te hebben.

Standpunt van de verdediging

Het bezwaarschrift houdt, kort en zakelijk weergegeven, in dat verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde lichtvaardig is gedagvaard en een veroordeling voor dit feit niet haalbaar is. Immers heeft de rechter-commissaris voor dit feit geen ernstige bezwaren aangenomen en zijn er nadien geen stukken aan het procesdossier toegevoegd die verdachte belasten, zodat de rechtbank op basis van de inhoud van het procesdossier niet tot wettig en overtuigend bewijs voor en daarmee tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van dit feit zal komen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard, kort en zakelijk weergegeven omdat niet hoogst onaannemelijk is dat de later oordelende strafrechter tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde komt.

Beoordeling

De dagvaarding is op 14 april 2023 uitgebracht en op 18 april 2023 op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend. Het bezwaarschrift is ingediend op 26 april 2023 en daarmee binnen de in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn. Verdachte is dan ook ontvankelijk in zijn bezwaar.

Bij de beoordeling van het bezwaar tegen de dagvaarding stelt de rechtbank voorop dat de onderhavige raadkamerprocedure een summier karakter kent, waarin niet vooruit dient te worden gelopen op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting. De rechtbank overweegt voorts dat artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte.

De rechtbank overweegt dat de rechter-commissaris een beslissing heeft genomen na summier onderzoek en dat hetgeen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde over de bedoeling van de wetgever is opgeworpen een discussie is die ter openbare terechtzitting dient te worden gevoerd. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet op voorhand tot de conclusie kan leiden dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder 3 tenlastegelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. De rechtbank zal het bezwaar daarom ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. H.B.W. Beekman en

E.G. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.