Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 21 april 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:2391Zaaknummer UTR 22/3942
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 21 april 2023
- Publicatiedatum
- 3 september 2025
- Zaaknummer
- UTR 22/3942
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Handhavingsverzoek wegens frauduleus gebruik parkeerontheffingen; eiser is belanghebbende; besluit onvoldoende gemotiveerd; beroep gegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2023.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3942
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein
(gemachtigde: J.J. Vogel).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiser tot toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn handhavingsverzoek om op te treden tegen onjuist gebruik van parkeerontheffingen.
Bij besluit van 18 maart 2022 heeft verweerder het verzoek van eiser om een dwangsom toe te kennen afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij besluit van 14 juli 2022 (het bestreden besluit) is verweerder bij zijn besluit gelijk gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
- Eiser is een bewoner van de [straat 1] in [woonplaats]. Hij ervaart sinds 2015 overlast van bewoners van de [straat 2] die op de [straat 1] hun auto parkeren, waardoor eiser lastig in- en uit kan rijden. Eiser heeft verweerder (meerdere malen) verzocht om op te treden tegen het frauduleus gebruik van de parkeerontheffing van deze bewoners.
- Eiser heeft vervolgens op 14 december 2021 verweerder in gebreke gesteld omdat deze niet heef gereageerd op zijn handhavingsverzoeken. Verweerder heeft bij besluit van 18 maart 2022 overwogen dat eisers verzoek om op te treden tegen onjuist gebruik van parkeerontheffingen geen aanvraag is in de zin van de Awb, maar eerder een klacht of verzoek om strafrechtelijk op te treden.
Het standpunt van verweerder
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit het advies van de commissie bezwaarschriften gemeente IJsselstein niet opgevolgd. Volgens verweerder voldoet de ingebrekestelling van eiser niet aan de daartoe opgestelde wettelijke vereisten, omdat er geen koppeling is te maken met eisers ingebrekestelling in het genoemde dossier met zaaknummer [zaaknummer] (dossier over het ‘invoeren parkeerregulering [straat 3] en [straat 1] ’). In dat dossier zitten geen handhavingsverzoeken. Verweerder stelt verder dat de door de commissie bezwaarschriften gesignaleerde relatie met de Parkeerverordening gemeente IJsselstein (Parkeerverordening) als grondslag ontbreekt omdat het handhavingsverzoek van eiser ziet op ontheffingen van de blauwe zone. Daar is volgens verweerder geen basis voor te vinden in de Parkeerverordening. Tot slot stelt verweerder dat eiser geen belanghebbende is in de zin van de Awb waardoor er geen sprake is van een aanvraag.
Het handhavingsverzoek wegens frauduleus gebruik parkeerontheffingen
4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het advies van de hoorcommissie niet heeft overgenomen.
5. De rechtbank stelt vast dat het verweerder vrijstaat om het advies van de commissie bezwaarschriften al dan niet op te volgen, mits dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. De rechtbank leidt naar aanleiding van de uitleg van eiser op de zitting af dat eiser het voornamelijk niet eens is met de motivering hieromtrent in het bestreden besluit.
6. In dat kader heeft eiser aangevoerd dat hij een aanvraag heeft ingediend bij verweerder, die verantwoordelijk is voor handhaving, en dat verweerder daarop moet reageren. De gemeente is volgens eiser, na een handhavingsverzoek in het kader van een melding van overtreding van een wettelijk voorschrift, verplicht om te reageren. Het verwijt dat verweerder eiser maakt, dat er een juridische koppeling ontbreekt tussen eisers handhavingsverzoek en de ingebrekestelling, volgt eiser niet en hij stelt dat in diverse e-mails duidelijk een verband bestaat tussen de aangekaarte voorbeelden en het onderwerp waarop hij handhaving wenst. Eiser noemt daarbij onder andere de e-mails van 7 juni 2021, 6 juli 2021 en 5 november 2021.
7. De rechtbank heeft met partijen op de zitting uitgebreid de stukken van het dossier besproken. De rechtbank stelt vast dat in de ingebrekestelling van 14 december 2021, naast de verwijzing naar het dossier met zaaknummer [zaaknummer], ook verwezen wordt naar de datum van 26 november 2020 als ook naar diverse e-mails en gesprekken in relatie tot (andere) aanvragen en verzoeken. De rechtbank stelt verder vast dat de datum van 26 november 2020 relateert aan een e-mail van eiser aan verweerder, die gevoegd is als nummer 2 van de processtukken zoals die door verweerder in deze zaak zijn overgelegd[_9c5cbd0d-a730-46f3-98a6-5e56a714656e], en dat hierin geen handhavingsverzoek vermeld is over het frauduleus gebruik van parkeerontheffingen. In deze e-mail van 26 november 2020 verwijst eiser wel naar zijn schrijven van 18 oktober 2020, dat als nummer 1 van de processtukken door verweerder aan het dossier is gevoegd. Daarin wordt een ingevuld vragenformulier verstuurd. De rechtbank overweegt dat uit deze stukken niet blijkt dat eiser een verzoek om handhaving heeft ingediend. Wel stelt de rechtbank vast dat door verweerder processtukken zijn overgelegd, bestaande uit e-mails van 7 juni 2021, 6 juli 2021 en 5 november 2021 die overduidelijk wel een verzoek van eiser om handhaving betreffen naar aanleiding van het frauduleus gebruik maken van parkeerontheffingen.
8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit de bewoordingen van de ingebrekestelling van eiser niet volgt dat deze is gebaseerd op de vanaf juni 2021 verstuurde handhavingsverzoeken. De beroepsgrond van eiser dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt tegengeworpen dat er een juridische koppeling ontbreekt tussen een handhavingsverzoek en de ingebrekestelling, slaagt daarom niet. Verweerder is daarom geen dwangsom verschuldigd.
9. Ten aanzien van het argument van eiser dat uit diverse e-mails een duidelijk verband bestaat tussen de door hem aangehaalde voorbeelden op grond waarvan hij handhaving naar aanleiding van het frauduleus gebruik maken van parkeerontheffingen verzoekt merkt de rechtbank het volgende op. Uit de in de eerste alinea van het primaire besluit opgenomen zinsnede ‘op uw verzoek om op te treden tegen onjuist gebruik van parkeerontheffingen’ blijkt dat verweerder een of meer van eisers handhavingsverzoeken van juni, juli en november 2021 heeft beoordeeld. Het argument van eiser slaagt in zoverre omdat de rechtbank ook in het bestreden besluit leest dat verweerder hierin een handhavingsverzoek van eiser tegen het frauduleus gebruik maken van parkeerontheffingen heeft betrokken. Gelet op de stukken van het dossier kan dit niet een ander handhavingsverzoek zijn geweest dan het verzoek dat begint met de e-mail van 7 juni 2021. Ook gelet op de uitleg van partijen op de zitting, inhoudende dat er ten tijde van de e-mails van 18 oktober en 26 november 2020 nog geen parkeerontheffingen waren verleend, kan het handhavingsverzoek van eiser dan ook niet eerder dan 7 juni 2021 zijn gedaan. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit dus op beslist, door te stellen dat dit geen aanvraag is in dit zin van de wet omdat eiser niet is aan te merken als belanghebbende.
10. De rechtbank zal hierna verder ingaan op verweerders beoordeling van het belanghebbendenbegrip.
Is eiser aan te merken als belanghebbende?
11. Naar aanleiding van het standpunt van verweerder in het besteden besluit over de ‘belanghebbendheid’, heeft eiser betwist dat hij geen belanghebbende is. Eiser stelt dat hij dat wel is omdat zijn belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Bovendien stelt eiser dat verweerder tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat eiser belanghebbende is.
12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen belanghebbende is omdat hij op eigen terrein parkeert. Omdat eiser geen belanghebbende is, is het verzoek van eiser geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb.
13. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij aan de [straat 1] woont en dat een bewoner van de [straat 2] met zijn parkeerontheffing voor de [straat 2] op de [straat 1] parkeert. Eiser heeft verder toegelicht dat de bewoner deze ontheffing dagelijks gebruikt of aan derden uitleent om op de [straat 1] te parkeren waardoor eiser belemmerd wordt bij het parkeren van zijn auto. De rechtbank overweegt dat eiser een direct belang heeft bij het parkeren van zijn auto en dat dit maakt dat hij belanghebbende kan zijn bij zijn handhavingsverzoek. Verweerder stelt weliswaar dat eiser alleen op zijn eigen terrein kan parkeren, maar betrekt hierbij niet de door eiser geschetste situatie dat hij door de bewoner van de [straat 2] geen gebruik kan maken van de parkeergelegenheid op eigen terrein. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is.
14. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. Dit besluit zal daarom moeten worden vernietigd en verweerder dient een nieuw besluit te nemen en daarbij opnieuw te beoordelen of eiser als een belanghebbende bij zijn handhavingsverzoek dient te worden aangemerkt. Als dat het geval is, moet verweerder vervolgens inhoudelijk beslissen op het handhavingsverzoek.
15. Daarbij moet verweerder dan vervolgens betrekken dat hetgeen waarvan eiser handhaving wenst, zoals door hem ter zitting nader is toegelicht, zijn oorsprong niet vindt in de Wegenverkeerswet 1994 maar in de lokale Parkeerverordening Hij heeft hierbij verwezen naar het geen hierover is opgenomen in het advies van de commissie bezwaarschriften, waaruit volgt dat zijn handhavingsverzoek is gelegen in artikel 6 van de Parkeerverordening.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien omdat het aan verweerder is om een inhoudelijke beoordeling te maken. De rechtbank draagt verweerder daarom op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.
17. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2023.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.