Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 26 april 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:2413Zaaknummer UTR 21/1278
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 26 april 2021
- Publicatiedatum
- 11 oktober 2022
- Zaaknummer
- UTR 21/1278
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo niet-ontvankelijk want niet connex met een bezwaarprocedure of administratief beroep of beroepsprocedure.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 26 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1278
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 april 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster.
en
de Minister voor Medische Zorg, verweerder(gemachtigde: mr. S.J.D. Eillyas).
Procesverloop
In het besluit van 17 maart 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de opgelegde schorsing van de inschrijving als voorlopige voorziening in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg) per 15 februari 2021 aangetekend voor het beroep van eiseres als verpleegkundige.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In het verzoek om voorlopige voorziening verwijst verzoekster naar het primaire besluit. De voorzieningenrechter stelt vast dat tegen dat besluit geen bezwaar- of administratief-beroepsprocedure loopt. Dat is wel noodzakelijk. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Een verzoek om een voorlopige voorziening kan op grond van het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste worden ingediend hangende het bezwaar tegen een primair besluit of hangende het beroep (bij de rechtbank) tegen een beslissing op bezwaar. Van schorsing van het primaire besluit totdat uitspraak is gedaan door de rechtbank in de procedure
UTR 20/3498 kan daarom geen sprake zijn. Die procedure gaat over een ander geschil, namelijk over een verzoek op grond van de AVG. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 26 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.