Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 29 april 2021

ECLI:NL:RBMNE:2021:1913Zaaknummer UTR 20/3588

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29 april 2021
Publicatiedatum
30 september 2022
Zaaknummer
UTR 20/3588
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M.A. Koeman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , te [woonplaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Rechtsmiddel

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: C. van Abbe),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], verweerder

(gemachtigde: B.A. Schras).

Procesverloop

In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de

[adres 1] te [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op

€ 250.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

In de uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend met een taxatiematrix.

Het onderzoek op de zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 4 februari 2021.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [taxateur], taxateur.

Overwegingen

1. Het object is een rijwoning uit 1933. De woning heeft een kaveloppervlakte van 93 m2

en een bruto inhoud van 311 m3.

2. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs

die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.

3. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde van de woning niet hoger

dan de waarde in het economisch verkeer heeft vastgesteld. De waarde in het economisch verkeer wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen. Dit volgt uit de artikelen 17 en 18 van de Wet WOZ, de Uitvoeringsregeling en de rechtspraak in WOZ-zaken.

4. Verweerder handhaaft in beroep de door hem vastgestelde waarde van € 250.000,-.

Eiser bepleit een waarde van € 241.000,-. Ter onderbouwing heeft verweerder in beroep een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning is vergeleken met de volgende drie, alle in [plaats] gelegen, referentiewoningen: [adres 2], verkocht op 3 april 2018 voor

€ 252.000,-, [adres 3], verkocht op 9 mei 2019 voor € 327.500,- en

[adres 4], verkocht op 18 juli 2019 voor € 230.000,-.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix en de

toelichting die daarop ter zitting is gegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat € 250.000,- als waarde van de woning niet te hoog is. Uit deze taxatiematrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarmee maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer gebruiks- en perceeloppervlakte. Verweerder heeft toegelicht dat de twee referentiewoningen met een ouder bouwjaar, ook goed vergelijkbaar zijn. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er weinig vergelijkbare referentieobjecten beschikbaar zijn.

6. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde

voorzieningen in de woning.

8. Verweerder heeft de voorzieningen gewaardeerd op 3 (gemiddeld) en stelt zich op het

standpunt dat in de huidige verkopersmarkt gedateerdheid niet leidt tot substantieel lagere verkoopprijzen. Een keuken of badkamer van 15 jaar oud vormt geen reden om een aftrek toe te passen. Verder geeft verweerder aan dat de referentieobjecten [adres 4] en [adres 2] in zeer gedateerde staat zijn verkocht, maar desalniettemin daarvoor een normale marktprijs is betaald. Dat toont volgens verweerder aan dat de waarde van de woning eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Ook referentieobject [adres 3] is in een slechte staat verkocht. Daarna is de woning grondig opgeknapt en in mei 2019 verkocht voor een aanzienlijk hoger bedrag. Eiser heeft zijn standpunt niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld foto’s. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser gelet op deze toelichting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van de voorzieningen. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden dat het perceel niet optimaal bruikbaar is,

vanwege de brandgang, dat verweerder het gehanteerde indexeringspercentage om de waarde van de referentiepanden op de waardepeildatum te bepalen en de onderbouwing daarvan niet inzichtelijk heeft gemaakt en dat de kubieke meterprijzen zijn gecorrigeerd met onjuiste

percentages ingetrokken. De rechtbank zal daarom deze beroepsgronden niet inhoudelijk behandelen.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M.A. Koeman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.