Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Limburg, 24 juni 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:6054Zaaknummer ROE 26/1307
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Publicatiedatum
- 25 juni 2026
- Zaaknummer
- ROE 26/1307
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen tweede last onder dwangsom. Tegen eerste last onder dwangsom loopt beroep en ook een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Toewijzing verzoek op basis van belangenafweging, ter voorkoming van versnipperde beoordeling van beide lasten onder dwangsom. Overtredingen duren al geruime tijd voort. Niet onevenredig bezwaarlijk voor verweerder om de periode van bestuurlijke heroverweging (die verweerder desgewenst kort kan houden door snel op het bezwaar te beslissen) af te wachten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 24 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 juni 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1307
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Alkmaar, verzoeker
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder.
Inleiding
1. Bij besluit van 21 april 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd vanwege meerdere gestelde overtredingen van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet ter hoogte van de [adres] in Kerkrade (de locatie). Verweerder heeft verzoeker gelast de kamerverhuur op de locatie te beëindigen en beëindigd te houden en de gebouwde wooneenheden terug te brengen naar een recreatieruimte, waarbij het maximum aantal wooneenheden wordt teruggebracht naar de vergunde situatie.
2. Verweerder heeft eerder, bij besluit van 8 juli 2025, voor dezelfde gestelde overtredingen aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en tegen de daarop volgende beslissing op bezwaar van 4 februari 2026 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 26/624. In het kader van dit beroep heeft verzoeker eveneens om een voorlopige voorziening verzocht. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 26/1339.
3. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Overwegingen
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, gelet op het aflopen van de begunstigingstermijn op 22 juli 2026 in combinatie met de mededeling van verweerder dat niet voor die datum op het bezwaar van verzoeker kan worden beslist. Om aan de last onder dwangsom te voldoen moet verzoeker op relatief korte termijn ingrijpende bouwkundige wijzigingen doorvoeren aan het pand op de locatie. Doet verzoeker dit niet, dan zal hij een dwangsom verbeuren. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Beoordeling van het verzoek
8. Verweerder heeft op 6 en 21 november 2024 en 13 maart 2025 de gestelde overtredingen geconstateerd. Teneinde deze overtredingen te beëindigen heeft verweerder op 8 juli 2025 een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd van “€ 1.000,00 per week of gedeelte van en week dat de overtreding voortduurt, zulks tot een maximum van € 3.000,00”. Tegen die last onder dwangsom heeft verzoeker bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 26/624. Omdat de gestelde overtredingen niet zijn beëindigd, heeft verweerder opnieuw met het primaire besluit een last onder dwangsom opgelegd, met een hogere dwangsom, in totaal maximaal € 35.000,-.
9. Tegen het primaire besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hangende dat bezwaar heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het primaire besluit wordt geschorst totdat de rechtbank op het beroep in de zaak met zaaknummer 26/624 heeft beslist, alsmede door verweerder op het bezwaar tegen het primaire besluit is beslist.
10. De voorzieningenrechter acht het in beginsel niet opportuun om ten aanzien van het primaire besluit een voorlopige beoordeling te verrichten die enkel ziet op de bezwaarfase. Ervan uitgaande dat ook deze last onder dwangsom – na de beslissing op bezwaar – nog voor een definitieve beoordeling aan de rechtbank zal worden voorgelegd, verdient het namelijk vanuit oogpunt van efficiency – ook gelet op de werklast van en achterstanden bij de rechtbank – sterk de voorkeur dat beide lasten onder dwangsom eenmaal en integraal door de rechtbank worden beoordeeld, in plaats van versnipperd. In dit verband beoordeelt de voorzieningenrechter eerst of het nodig is om hangende bezwaar inhoudelijk over de zaak te beslissen of dat reeds op basis van een belangenafweging kan worden beoordeeld of de beslissing op bezwaar kan worden afgewacht of niet. Daartoe weegt de voorzieningenrechter de belangen af die verweerder beoogt te behartigen en die gediend zijn met een snelle beëindiging van de overtreding en de belangen van verzoeker bij het kunnen wachten op de bestuurlijke heroverweging naar aanleiding van zijn bezwaar.
11. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat verweerder in ieder geval sinds 6 november 2024 bekend is met de gestelde overtredingen en dat die dus in ieder geval al een jaar en zeven maanden voortduren. Namens verweerder is desgevraagd telefonisch medegedeeld dat het afwachten van de beslissing op bezwaar – en tot die tijd de begunstigingstermijn op te schorten of geen invordering te starten – voor verweerder geen optie is omdat een beslissing op bezwaar pas in oktober 2026 wordt verwacht en dit te lang duurt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder daarmee een ruime termijn neemt om op het bezwaar te beslissen en dat als gevolg daarvan de voorzieningenrechter de onder 10 genoemde versnipperde beoordeling zou moeten maken. De voorzieningenrechter acht het gezien de periode dat de overtreding reeds voortduurt, niet onevenredig bezwaarlijk voor verweerder om de periode van bestuurlijke heroverweging af te wachten alvorens tot daadwerkelijk effectueren van de last onder dwangsom over te gaan. Het is aan verweerder – als zij van mening is dat niet tot oktober gewacht kan worden alvorens de overtreding wordt beëindigd c.q. tot die tijd niet kan wachten met invorderen – om de bezwaarfase zo kort mogelijk te houden door snel te beslissen op het gemaakte bezwaar.
12. De voorzieningenrechter wijst gelet op het voorgaande het verzoek om voorlopige voorziening toe. Deze toewijzing is enkel gebaseerd op een belangenafweging en bevat dus nog geen voorlopige inhoudelijke beoordeling.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst, dient verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht (€ 200,-) te vergoeden.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 24 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 juni 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.