Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Limburg, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11429Zaaknummer ROE 24/2552
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROE 24/2552
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Roermond
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiser komt op tegen de boete die aan hem is opgelegd omdat hij niet de door de minister verzochte bescheiden heeft overlegd. Daarmee heeft hij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag overtreden. De rechtbank is van oordeel dat die boete terecht is opgelegd, maar moet worden gematigd wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- stelt de hoogte van de boete vast op € 24.375,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026
De rechter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 24/2552
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: mr. J. Boogaard).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de beslissing op bezwaar van 1 maart 2024. Daarmee handhaaft de minister het besluit waarmee hij aan eiser een boete heeft opgelegd van € 32.500,- wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de boete heeft opgelegd aan eiser. Wel ziet de rechtbank aanleiding tot matiging van de boete vanwege de lange duur van de procedure. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is eigenaar van een eenmanszaak die zich (onder andere) bezighoudt met de teelt van kleinfruit. Naar aanleiding van verschillende inspecties bij de onderneming van eiser is een onderzoek gestart naar de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wml). De minister heeft op 2 december 2021 aan eiser dat onderzoek aangekondigd.
In het kader van dat onderzoek heeft de minister op 7 april 2022 eiser verzocht om de bescheiden, als opgesomd in artikel 18b, tweede lid, van de Wml, met betrekking tot tien werknemers over de periode 1 april 2021 tot en met 30 september 2021 te verstrekken. Eiser had hiertoe tot en met 21 april 2022 de tijd. Hij heeft per aangetekende post, verzonden op 21 april 2022, verschillende bescheiden aan de minister verstrekt.
Op 8 augustus 2022 heeft de arbeidsinspecteur een boeterapport opgemaakt en één dag later is de ontvangst hiervan door de minister bevestigd en is deze doorgestuurd naar eiser. Daarin is geconcludeerd dat eiser niet alle verzochte bescheiden heeft overgelegd en daardoor artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden. Eiser heeft er niet aan voldaan om bescheiden te verstrekken over de periode 1 april 2021 tot en met 30 september 2021, een aantal verstrekte bescheiden zijn niet in overeenstemming met de feitelijkheid en de verstrekte bescheiden zijn niet in overeenstemming met wat in het onderzoek is verklaard door de werknemers dan wel zijn verklaringen niet in overeenstemming. Daardoor is het voor de Nederlandse Arbeidsinspectie niet mogelijk om een mogelijke onderbetaling te berekenen.
Met het boetebesluit van 3 mei 2023 heeft de minister vastgesteld dat ten aanzien van 9 personen niet of niet tijdig de (volledige) bescheiden zijn overlegd. Acht van deze personen waren in de onderzoeksperiode tussen de één en drie maanden tewerkgesteld en de negende persoon tussen de drie en zes maanden. De minister heeft daarom, in overeenstemming met de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018 (hierna: de Beleidsregel) aan eiser een boete opgelegd van € 32.500,-. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het boetebesluit. Met de beslissing op bezwaar van 1 maart 2024 is de minister bij de oplegging van die boete gebleven.
Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepsgronden van eiser
3. Eiser voert – kort gezegd – aan dat de inhoud van een anonieme melding (die mede aanleiding heeft gevormd om over te gaan tot onderzoek) niet klopt. Daarnaast geeft hij aan dat de meeste van de werknemers bij aankomst geen bankrekening en sofinummer hadden en dat dit lang duurde voordat dit kon worden geregeld. Hij heeft daarom veel (contante) voorschotten aan de werknemers gegeven, zodat zij vervoer en levensmiddelen konden betalen. Hiervan heeft hij geschreven verklaringen die hij aan de rechtbank kan overleggen. Er was ook een periode waarop zijn boekhouder op vakantie was, waardoor hij het loon heeft moeten schatten. Dan heeft er later een nabetaling plaatsgevonden. De lonen van de werknemers zijn altijd via de bank overgemaakt. Het klopt niet dat hij loon zou hebben teruggenomen. Verder wijst eiser erop dat de vraag over het aanleveren van bescheiden in een drukke periode kwam en daardoor mogelijk stukken zijn vergeten. Het lag volgens hem op de weg van de arbeidsinspecteur om hem nog een extra kans te geven om stukken aan te leveren. Niemand heeft tegen hem gezegd dat de bescheiden incompleet waren. Tenslotte geeft eiser aan dat de schuld heel hoog is en dat onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn situatie.
Omvang van deze procedure
4. Over de beroepsgronden van eiser merkt de rechtbank als eerste op dat de boete is opgelegd omdat eiser niet de door de minister verzochte bescheiden heeft overlegd. In deze procedure ligt dan ook de vraag voor of het juist is dat hij die bescheiden niet heeft overlegd. Eiser heeft niet betwist dat hij de bescheiden niet volledig heeft overlegd. Hij heeft (met name) aangegeven dat hij wel loonstroken heeft ingestuurd, en dat de uren en betalingen die daarop stonden konden worden gecontroleerd, maar daarmee heeft eiser niet alle verzochte bescheiden overlegd. De overtreding staat dus niet ter discussie. De rechtbank kan zich dan nog uitlaten over de vraag of de minister, vanwege de omstandigheden van het geval, had moeten afzien van het opleggen van een boete of een lagere boete moest opleggen. Daar kan bijvoorbeeld aanleiding voor zijn als eiser niet of verminderd de overtreding te verwijten valt of als de boete onevenredig is.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden van eiser over de inhoud van de anonieme melding, de wijze waarop eiser zijn werknemers heeft betaald en hoe het zit met de voorschotten. Ongeacht of en hoe dat allemaal heeft plaatsgevonden, ontslaat dat eiser namelijk niet van zijn verplichting om desgevraagd aan de inspecteur de bescheiden te overleggen.
Had de minister moeten afzien van het opleggen van een boete of de boete moeten matigen?
5. In artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan (in dit geval: de minister) geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. In beginsel mag, als de gedraging waarvoor de boete is opgelegd zich heeft voorgedaan, van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan.[_22fe83c0-d4f0-4d8a-8a0b-04c3711484b3] Maar in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk was, heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. In situaties waarin wel sprake is van verwijtbaarheid, maar in verminderde mate, kan dat aanleiding zijn om de boete te matigen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is niet is gebleken van een verminderde mate van verwijtbaarheid op basis waarvan de minister de boete had moeten matigen. Op eiser rust de verantwoordelijkheid dat de bedrijfsvoering van de onderneming aan de wettelijke vereisten voldoet. Het is aan eiser om stukken die betrekking hebben op de naleving van de Wml in de administratie op te nemen, te bewaren en verstrekken wanneer dat door inspecteurs gevraagd wordt. Eiser heeft dit onvoldoende gedaan en hieruit kan worden afgeleid dat hij niet alles wat mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. De omstandigheden die eiser noemt leiden niet tot de conclusie dat de overtreding eiser in mindere mate te verwijten is. De manier waarop eiser de werknemers uiteindelijk heeft uitbetaald, en de omstandigheid dat de werknemers pas laat een bankrekening en sofinummer zouden krijgen, wat daar ook van zij, staat los van het feit dat eiser op grond van de Wml bepaalde stukken moet hebben en verstrekken wanneer daarom wordt gevraagd. Van werkgevers wordt daarbij een grote mate van verantwoordelijkheid verwacht. In die zin lag het op de weg van eiser om (tijdig) de bescheiden in te leveren en na te gaan of de bescheiden compleet zijn. Dat eiser stelt dat het verzoek om bescheiden in een drukke periode kwam, maakt eiser ook niet minder verwijtbaar. Hoewel de rechtbank aan wil nemen dat eiser zich ten tijde van het verzoek in een drukke periode bevond, wijst de minister er in dat kader terecht op dat – op verzoek – uitstel is verleend en dat eiser daarna, en nu nog niet, heeft voldaan aan de verplichtingen die voor hem gelden. Verder is het de rechtbank ook niet gebleken dat eiser (uit eigen beweging en zo snel mogelijk) achteraf na de overtreding inspanningen heeft verricht die moeten leiden tot matiging.[_4a7d7a8f-c8b5-4a70-ada3-4cb041e87194] Of er sprake is van onderbetaling of overtreding van bijvoorbeeld regels die gelden voor (maximale) arbeidstijden kan zonder de benodigde gegevens namelijk niet worden vastgesteld.
Reden voor matiging van de opgelegde boete kan ook bestaan als op basis van financiële gegevens moet worden geoordeeld dat eiser door de opgelegde boetes onevenredig wordt getroffen. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat hiervan geen sprake is. Dat de hoogte van de boete grote (financiële) gevolgen kan hebben en ook heeft gehad, is goed voorstelbaar, maar dat maakt niet dat de opgelegde boete onevenredig is. Uit de overgelegde financiële stukken volgt niet dat eiser onevenredig wordt getroffen. Hierbij heeft de minister ook kunnen betrekken dat er voor betaling van de boete een betalingsregeling is getroffen waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om de boete vanwege financiële redenen en/of gevolgen te matigen.
Overschrijding van de redelijke termijn
7. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn[_d08d7517-0a5f-4bec-a49a-dfca4a1cccb6] is overschreden. Voor een zaak zoals deze is in beginsel een termijn van twee jaar, gerekend vanaf het moment dat de minister naar eiser toe een handeling heeft verricht waaraan eiser in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat de minister een boete zou opleggen (in dit geval: met de brief van 2 augustus 2022). Als de redelijke termijn (zoals in dit geval) met meer dan een anderhalf jaar is overschreden, handelt de rechtbank voor het vaststellen van de consequenties daarvan dan naar bevind van zaken. In dit geval acht de rechtbank het redelijk om vanwege de overschrijding van de redelijke termijn het oorspronkelijke boetebedrag (€ 32.500,-) te matigen met 25%.
Conclusie en gevolgen
8. Uit voorgaande volgt dat de minister de boete terecht heeft opgelegd maar dat de boete moet worden gematigd wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en herroept in zoverre ook het boetebesluit. Op grond van artikel 8:72a van de Awb voorziet de rechtbank zelf in de zaak door de hoogte van de boete vast te stellen op € 24.375,-. Zij bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de minister of de Staat aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt, omdat het beroep uitsluitend gegrond is verklaard vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Verder is de rechtbank niet gebleken van gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- stelt de hoogte van de boete vast op € 24.375,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026
De rechter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Vergelijk wat is overwogen onder 3.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3856.
- Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3399.
- Als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.