Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Limburg, 8 oktober 2026

ECLI:NL:RBLIM:2026:10711Zaaknummer ROE 25/1257

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
ROE 25/1257
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Roermond
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verleende omgevingsvergunning voor de realisatie van twee appartementen op grond van de kruimelgevallenregeling (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht). Omdat door het vergunde bouwplan sprake is van een vergroting van het bouwvolume, voldoet het bouwplan niet aan de voorwaarden uit artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor. Verweerder heeft de kruimelgevallenregeling daarom ten onrechte toegepast. De vergunning kon slechts worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo (uitgebreide voorbereidingsprocedure). Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen. Verweerder moet opnieuw op de vergunningaanvraag beslissen.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen over de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.A.M. Bergmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

griffierrechter

De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 oktober 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats 1] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Overwegingen
  5. Toetsingskader
  6. Beoordeling door de rechtbank
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/1257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten

(gemachtigde: E. Barentsen).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats 2] (vergunninghouders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor de realisatie van twee appartementen op het perceel aan de [adres 1] in [plaats 1]. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de omgevingsvergunning mocht verlenen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 e.v. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Daarbij gaat de rechtbank in op de beroepsgronden van eiseres. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij het besluit van 25 augustus 2023 (primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van twee appartementen op het perceel aan de [adres 1] in [plaats 1].

2.1.

Het daartegen ingediende bezwaar van eiseres heeft verweerder bij besluit van

6 mei 2025 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

2.2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 5 juni 2026 een reactie op het verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres is [belanghebbende] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Ook vergunninghouders zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2.4.

Met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting aangehouden in afwachting van schriftelijke beantwoording van vragen over de grondslag voor toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure (kruimelgevallenregeling) en de consequenties daarvan voor het bestreden besluit.

2.5.

Verweerder heeft op 3 juli 2026 een schriftelijke reactie ingediend. Op 18 juli 2026 hebben vergunninghouders daarop schriftelijk gereageerd. Eiseres heeft op 19 juli 2026 een schriftelijke reactie gegeven.

2.6.

De rechtbank heeft eiseres op 12 augustus 2026 verzocht om een nadere reactie in te dienen op de brief van vergunninghouders van 18 juli 2026. Eiseres heeft die reactie op

25 augustus 2026 ingediend. Op 9 september 2026 hebben vergunninghouders gereageerd.

2.7.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek op 16 september 2026 heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

3. Vergunninghouders zijn eigenaren van het perceel aan de [adres 1] in [plaats 1]. Op 29 april 2023 heeft [derde-partij 1] een omgevingsvergunning bij verweerder aangevraagd voor de realisatie van twee appartementen op het perceel. De aanvraag is ingediend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo.

3.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning voor de aangevraagde activiteiten verleend met toepassing van de zogeheten kruimelgevallenregeling, op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Eiseres is eigenaar van het nabij gelegen adres aan de [adres 2] in [plaats 2] en heeft op 4 oktober 2023 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Het bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder verwijzing naar het uitgebrachte advies van de commissie bezwaarschriften. Verweerder heeft daarbij de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Standpunt eiseres

5. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning de onjuiste procedure heeft toegepast. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de kruimelgevallenregeling uit artikel 4, negende lid van bijlage II bij het Bor. Verder voert eiseres aan dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening en vanwege strijd met de bestemmingsplanregels over woningsplitsing. Ook stelt eiseres dat verweerder er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat sprake was van een al bestaande illegale situatie en dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van onjuiste uitgangspunten en informatie is uitgegaan.

Omvang geschil

6. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het beroepschrift heeft verzocht om hetgeen in bezwaar is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank overweegt allereerst dat deze algemene verwijzing onvoldoende concreet is om aangemerkt te kunnen worden als een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. Voor zover eiseres in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele verwijzing naar het bezwaarschrift niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank richt zich daarom op wat eiseres in beroep concreet heeft aangevoerd en zal daar, voor zover van belang, hierna op ingaan.

Toetsingskader

Omgevingswet

7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Gelet op artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet moet dit geschil worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dat is de Wabo.

Bestemmingsplan

7.1.

Op grond van het bestemmingsplan ‘Eijsden’, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 april 2013, (hierna: het bestemmingsplan) ligt op het perceel de bestemming ‘Wonen-1’. De bebouwing is deels gelegen binnen het bouwvlak en deels binnen de aanduiding ‘bijgebouwen’. Op grond van artikel 22.2, onder c, van de planregels mogen per bouwvlak niet meer woningen worden opgericht dan het aantal woningen dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Verder mogen op grond van artikel 2.2.3. onder a, van de planregels ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde worden opgericht. Tussen partijen is niet in geschil dat het realiseren van de twee appartementen in strijd is met deze planregels.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

7.2.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

7.3.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c van de Wabo – voor zover hier van belang – wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

7.4.

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

7.5.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo - voor zover van belang - kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met (1) een goede ruimtelijke ordening en (2) indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. (…)

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

7.6.

Op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Beoordeling door de rechtbank

De bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan

8. De rechtbank ziet zich aan de hand van de beroepsgronden van eiseres allereerst gesteld voor de vraag of verweerder op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor (de kruimelgevallenregeling), bevoegd was om van het bestemmingsplan af te wijken.

8.1.

Eiseres voert aan dat verweerder daartoe niet bevoegd was omdat volgens eiseres de procedure zoals opgenomen in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo (uitgebreide procedure) had moeten worden gevolgd. Eiseres stelt daartoe dat verweerder het negende lid van artikel 4 van bijlage II bij het Bor niet had mogen toepassen, omdat volgens eiseres door het vergunde bouwplan sprake is van een vergroting van de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume. Eiseres wijst er in dat verband ook op dat reeds voorafgaand aan vergunningverlening het toen bestaande bijgebouw al te hoog was ten opzichte van hetgeen planologisch was toegestaan en dat ook sprake was van een te groot oppervlak aan bijgebouwen ten opzichte van wat het bestemmingsplan toelaat voor de aanduiding ‘bijgebouwen’. De toen reeds uitgevoerde bouw van het bestaande bijgebouw is volgens eiseres ten onrechte niet doorgevoerd in het bestemmingsplan van 2013, in die zin dat het bijgebouw ten onrechte niet de aanduiding hoofdgebouw heeft gekregen. De feitelijke situatie, waarvan verweerder is uitgegaan op basis van de aanvraag, komt daardoor volgens eiseres niet overeen met de planologische en eerder vergunde situatie. Eiseres vindt daarom dat met de verleende omgevingsvergunning fouten in het verleden worden gecorrigeerd, waarvoor de kruimelgevallenregeling niet is bedoeld.

8.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de beoordeling van het bouwplan en de vraag of dat bouwplan in afwijking van het bestemmingsplan kan worden vergund, heeft uit te gaan van de aanvraag en de planologische en feitelijke situatie zoals die geldt ten tijde van de aanvraag. De stelling van eiseres dat de feitelijke situatie, waarvan verweerder is uitgegaan, niet overeenkomt met de planologische en eerder vergunde situatie, is geen reden om te concluderen dat verweerder de kruimelgevallenregeling niet mocht toepassen. Daarnaast zijn de door eiseres gestelde onjuistheden of onvolledigheden in het vigerende bestemmingsplan gronden die zich richten tegen de inhoud van het bestemmingsplan en staan die los van de toetsing van het onderhavige bouwplan door verweerder. Verweerder heeft het plan terecht beoordeeld op basis van de daartoe ingediende aanvraag en gegevens en heeft die vervolgens getoetst aan de regels uit het vigerende bestemmingplan. Verweerder heeft geconcludeerd dat sprake is van strijd met de bestemming ‘Wonen-1’ vanwege een tweede woning op het perceel en vanwege strijdigheid met de planregels die gelden voor de aanduiding ‘bijgebouwen’ - hetgeen tussen partijen niet in geschil is - en heeft besloten om de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. De rechtbank moet beoordelen of verweerder dat met toepassing van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor heeft mogen doen.

8.3.

Voor zover eiseres stelt dat door de bouwactiviteiten sprake is van een vergroting het bouwvolume, volgt de rechtbank eiseres in dat standpunt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor vanwege een vergroting van het bouwvolume door de realisatie van de twee appartementen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

8.4.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat de uitbouw op de verdieping wordt gecompenseerd met een vermindering van het bouwvolume op de begane grond, waardoor het totale bouwvolume niet wordt vergroot. Verweerder heeft in de schriftelijke reactie van 3 juli 2026 erop gewezen dat, ook zonder nadere informatie over de specifieke bouwhoogte, niet anders dan geconcludeerd kan worden dan dat door de realisatie van de twee appartementen een vergroting van het bouwvolume plaatsvindt. Daarover heeft verweerder gesteld dat met het onderhavige plan op de begane grond een oppervlakte van ca. 4 m² is weggenomen en dat voor eenzelfde oppervlakte van ca. 4 m² op de eerste verdieping wordt bijgebouwd, waarbij daarnaast op de eerste verdieping een verdere uitbreiding wordt gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 2 m². Alleen al hierdoor is met het onderhavige bouwplan sprake van een vergroting van het bouwvolume. Verweerder heeft daarbij erkend dat de kruimelgevallenregeling van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor niet kon worden toegepast en dat voor het vergunnen van het aangevraagde bouwplan de uitgebreide procedure had moeten worden toegepast. Nu het plan vanwege de vergroting van het bouwvolume niet voldoet aan de voorwaarden van de kruimelgevallenregeling uit artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor, heeft verweerder de omgevingsvergunning ten onrechte op die grondslag verleend. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

9. Het voorgaande brengt mee dat verweerder de omgevingsvergunning niet mocht verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wabo in combinatie met de kruimelgevallenregeling uit artikel 4, negende lid, van bijlage II bij Bor, maar dat de vergunning voor de onderhavige aanvraag slechts kon worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo. Verweerder had, gelet op artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten volgen, waarop afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Verweerder heeft het besluit dus ten onrechte voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Bovendien stelt de rechtbank vast dat mogelijk een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig was, op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de vergunningaanvraag moet beslissen. Het ligt daarbij op de weg van verweerder om te beoordelen of de omgevingsvergunning alsnog op een andere grondslag kan worden verleend.

9.1.

Gelet op het voorgaande, behoeven de andere beroepsgronden van eiseres over strijd met een goede ruimtelijke ordening, de gestelde strijdigheid met de bestemmingsplanregels over woningsplitsing en de inhoudelijke toetsing van het bouwplan door verweerder, geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat de omgevingsvergunning niet had kunnen worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen. Verweerder moet opnieuw op de vergunningaanvraag beslissen.

10.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres vergoeden. Van gemaakte proceskosten en overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen over de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.A.M. Bergmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

griffierrechter

De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 oktober 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.