Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Limburg, 12 juni 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:6027Zaaknummer C/03/329928 / HA ZA 24-196
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 12 juni 2024
- Publicatiedatum
- 12 september 2024
- Zaaknummer
- C/03/329928 / HA ZA 24-196
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verwijzing naar kanton. Aardzaak.
De rechtbank
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 10 juli 2024 om 10.00 uur voor conclusie van antwoord,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.[_295ea28f-5a09-46a2-bd54-94a98a59565d]
Volledige tekst
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/329928 / HA ZA 24-196
Vonnis van 12 juni 2024
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. L.H.G. Pelzer te Echt,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
advocaat mr. I. Paul-van Velzen te ’s-Hertogenbosch.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 15 mei 2024
- de aktes uitlating zijdens beide partijen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Bij rolbeslissing van 15 mei 2024 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
Beide partijen stemmen in met verwijzing naar de kamer voor kantonzaken.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vordering haar grondslag vindt in artikel 7:658 BW en artikel 7:611 BW, blijft de rechtbank bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
De zaak zal derhalve worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
3. De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 10 juli 2024 om 10.00 uur voor conclusie van antwoord,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.[_295ea28f-5a09-46a2-bd54-94a98a59565d]
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.