Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Limburg, 14 juni 2021

ECLI:NL:RBLIM:2021:4754Zaaknummer 9218465 CV EXPL 21-2466

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14 juni 2021
Publicatiedatum
21 juni 2021
Zaaknummer
9218465 CV EXPL 21-2466
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Maastricht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Arbeid. Loonvordering afgewezen: vorderingen van werknemer zijn onnavolgbaar, grondslagen zijn onduidelijk gebleven en niet duidelijk is hoe de berekeningen zijn gemaakt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten, begroot op € 747,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en is in het openbaar uitgesproken.

CJ

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Het geschil
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 9218465 CV EXPL 21-2466

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 14 juni 2021

inzake

[eiser],

wonend aan de [adres 1], [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.E. Cuppen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudend aan de [adres 2]

,

gedaagde,

gemachtigde mr. dr. M.E.V. van Krieken-Boersma.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 14,
  • de op voorhand door [gedaagde] toegezonden producties 1 tot en met 13,
  • de pleitnota van [eiser],
  • de pleitnota van [gedaagde],
  • de mondelinge behandeling van 7 juni 2021.
1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] is met ingang van 1 september 2018 in dienst getreden van [gedaagde] in de functie van internationaal chauffeur tegen een loon van laatstelijk € 2.457,12 bruto per vier weken. (productie 1 bij dagvaarding)

2.2.

[eiser] heeft zich op enig moment in januari 2021 ziekgemeld. [gedaagde] heeft nadien het loon tijdelijk stopgezet. Inmiddels zijn de arbeidsverhoudingen verstoord geraakt. Mediation heeft niet tot een oplossing geleid.

2.3.

[eiser] vordert kort samengevat veroordeling van [gedaagde] tot betaling van achterstallig loon over de weken 1 tot en met 16 van 2021, vermeerderd met de (maximale) wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, alsmede betaling van de proceskosten en nakosten.

2.4.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

2.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het is aan [eiser] zijn stellingen richting de kantonrechter en de wederpartij duidelijk te maken en te onderbouwen. In het voortraject heeft [eiser] in de e-mailcorrespondentie geen bedragen genoemd. De conceptdagvaarding bevat knip- en plakwerk; daarin staan bedragen doorgestreept die op een andere zaak betrekking hebben, zijn geen bedragen genoemd die [eiser] in de onderhavige zaak van [gedaagde] wenst te vorderen en wordt zelfs een andere procespartij genoemd. Ook de originele dagvaarding bevat onduidelijkheden. Zo wordt onder randnummer drie van de dagvaarding gesproken over een nettoloon van € 2.457,12 per vier weken terwijl in productie 2 van de dagvaarding waarnaar verwezen wordt dit als bruto bedrag staat vermeld. De ene keer spreekt [eiser] over een betaling van loon per vier weken en de andere keer over de 25ste van de maand. Verder zijn (onder meer) de berekeningen van de door [eiser] genoemde bedragen onbegrijpelijk.

3.2.

De door [eiser] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ingenomen stellingen hebben het zicht op de zaak beslist niet verhelderd. Dit wordt onder meer veroorzaakt door de omstandigheid dat [eiser] niet helder is over hetgeen hij nu precies vordert en de grondslag(en) van zijn vorderingen. [eiser] neemt steeds andere tegenstrijdige standpunten in. Waar [eiser] in de dagvaarding lijkt te stellen dat [gedaagde] geen overuren heeft uitbetaald, wordt bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de stelling ingenomen dat [gedaagde] vijf van de zeven overuren heeft uitbetaald. [eiser] laat vervolgens na hoe twee overuren per week kunnen leiden tot een gevorderde maandelijkse vergoeding van € 558,99 bruto. Na herhaaldelijk door de kantonrechter daarnaar gevraagd te hebben, vermindert [eiser] dienaangaande zijn vordering, maar laat na te vermelden tot welk bedrag. Het is niet aan de kantonrechter om dit uit te rekenen. Verder heeft [eiser] tegenstrijdige stellingen ingenomen over welke periode de betaling is opgeschort.

3.3.

Het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] onnavolgbaar zijn, de grondslagen onduidelijk zijn gebleven en niet duidelijk is hoe de berekeningen zijn gemaakt. Nu [eiser] ook tijdens de mondelinge behandeling er niet in geslaagd is zijn stellingen voldoende te verhelderen, zullen zijn vorderingen worden afgewezen.

3.4.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 747,00 salaris gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten, begroot op € 747,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en is in het openbaar uitgesproken.

CJ

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.