Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Gelderland, 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8256Zaaknummer 05/196461-26
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/196461-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank legt een ISD-maatregel voor twee jaar op aan verdachte voor drie diefstallen. De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen, afgewezen en niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;
- veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 50,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2], een bedrag te betalen van € 50,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 1.685,28 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
wijst de post ‘eerdere diefstal statiegeld’ onderdeel van de vordering tot materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij [aangever 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 3], een bedrag te betalen van € 1.685,28 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 16 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. P.M. Ton Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 oktober 2026.
Mr. Y. van Wezel is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- 1 De inhoud van de tenlastelegging
- 3 De bewezenverklaring
- 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
- 5 De strafbaarheid van de feiten
- 6 De strafbaarheid van de verdachte
- 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
- 8 De beoordeling van de civiele vorderingen
- 9 De toegepaste wettelijke bepalingen
- 10 De beslissing
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/196461-26
Datum uitspraak: 26 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats].
Raadsvrouw: mr. H.H. Jansen, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 8 juli 2026 te Apeldoorn een boormachine en/of een gereedschapskist met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op een of meerdere tijdstipppen op of omstreeks 18 juni 2026 te Apeldoorn een of meerdere kratten en/of blikjes en/of flessen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 21 juni 2026 te Apeldoorn een of meerdere kratten bier en/of een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [_7603f5fb-1dc7-49cc-b604-4238b21897e6]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen feit 1:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], p. 60-63;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 64-66;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 68-69;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 71;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 oktober 2026.
Bewijsmiddelen feit 2:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], p. 29-30;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-34;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 40;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 oktober 2026.
Bewijsmiddelen feit 3:
- het proces-verbaal van aangifte van P.G. [aangever 3], p. 46-47;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 49-50;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 52;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 oktober 2026.
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen de diefstallen wettig en overtuigend bewezen.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1hij op of omstreeks 8 juli 2026 te Apeldoorn een boormachine en/of een gereedschapskist met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 18 juni 2026 te Apeldoorn een of meerdere kratten en/of blikjes en/of flessen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 21 juni 2026 te Apeldoorn een of meerdere kratten bier en/of een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal;
feit 2:
diefstal, meermalen gepleegd;
feit 3:
diefstal, meermalen gepleegd.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen. Er is niet onderzocht of een vijfde ISD-maatregel nog enige concrete toegevoegde waarde heeft, verdachte is niet gemotiveerd voor een nieuw ISD-traject waardoor de kans bestaat op kale detentie in plaats van recidivevermindering en de proportionaliteit, subsidiariteit en concrete noodzaak van opnieuw maximaal twee jaar vrijheidsbeneming zijn onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf en, indien nodig, een taakstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich in een periode van drie weken schuldig gemaakt aan diverse diefstallen rondom woningen van drie slachtoffers. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte meer heeft gestolen dan ‘enkel wat emballage met als bedoeling de schade beperkt te houden’. Verdachte heeft rond woningen gezocht naar voor hem waardevolle goederen die hij mee kon nemen en hij heeft daarbij de opritten en ook schuren betreden die bij de woningen horen. Daarbij heeft hij de oprit van woningen betreden, blijkens beschikbare camerabeelden bij woningen naar binnen gekeken en heeft hij zich ook de toegang tot een achtertuin verschaft, door een poort te openen. Hij heeft kennelijk niet stilgestaan bij de schade, het ongemak en het gevoel van onveiligheid dat dit heeft veroorzaakt bij de slachtoffers.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 1 september 2026 waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 8 oktober 2026, waarin een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt geadviseerd, ondanks dat hem al vier keer eerder een ISD-maatregel was opgelegd. Hieruit blijkt het volgende. Verdachte kent langdurige en complexe problematiek, namelijk een combinatie van ernstige verslavingsproblematiek, psychische problematiek, dakloosheid, financiële problemen en een pro-criminele houding. Uit eerdere diagnostiek blijkt onder meer dat sprake is van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met borderline, dwangmatige en antisociale trekken en stoornissen in het gebruik van cocaïne, opioïden en cannabis. Verdachte is wegens zijn detentie abstinent van middelen, maar zonder deze structuur bestaat een groot risico op terugval in middelengebruik en daarmee samenhangend delictgedrag.
Verder is sprake van een instabiele leefsituatie, omdat verdachte niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. De reclassering vindt een verblijf bij de vriendin van zijn moeder niet passend, vanwege haar leeftijd, de beperkte mogelijkheid verdachte structureel onderdak te bieden en het middelengebruik van verdachte. Verdachte heeft behoefte aan een woonomgeving waarin voldoende structuur, begeleiding en toezicht aanwezig zijn. Ook op financieel gebied is sprake van instabiliteit, omdat verdachte voorafgaand aan zijn detentie geen inkomsten heeft gehad en omdat verdachte schulden heeft zonder dat hij daar inzicht in heeft. Het sociale netwerk van verdachte is omvangrijk, maar het lijkt vanuit reclasseringsperspectief weinig beschermend te zijn.
Voorts zijn eerdere reclasseringstrajecten negatief beëindigd en heeft verdachte zich daarbij regelmatig aan contact met de reclassering onttrokken. Recent is het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen, omdat verdachte zich onvoldoende aan de opgelegde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Verdachte heeft zich ook onvoldoende bereid getoond met de reclassering in gesprek te gaan. Hoewel verdachte momenteel aangeeft open te staan voor reclasseringsbemoeienis, is deze motivatie in het verleden onvoldoende bestendig gebleken. De reclassering vindt daarom dat verdachte voldoet aan de zachte criteria voor een ISD-maatregel.
De reclassering heeft onvoldoende vertrouwen dat verdachte zich binnen een voorwaardelijke ISD-maatregel duurzaam aan afspraken en voorwaarden zal houden. Daarom adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Binnen dit langdurige en gestructureerde kader kan worden ingezet op diagnostiek, behandeling van de verslavings- en psychische problematiek, stabilisatie van de leefomstandigheden en het doorbreken van het patroon van middelengebruik en delictgedrag.
De rechtbank acht oplegging van een taakstraf, zoals bepleit door de verdediging, een gepasseerd station gelet op het 51 pagina’s tellende strafblad van verdachte, de houding van verdachte bij de reclassering en de houding van verdachte op de terechtzitting. De rechtbank acht een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf daarom ook niet passend en geboden. Gezien het strafblad, de recente feiten en het reclasseringsrapport is de verwachting dat verdachte bij kale afstraffing door middel van een gevangenisstraf weer zal overgaan tot delictgedrag.
De door verdachte gepleegde feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. In de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten is verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen.
Verdachte voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op het voorgaande moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en goederen rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dan ook het opleggen van de ISD-maatregel. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren noodzakelijk en gewenst is. Door het gedwongen kader van de ISD-maatregel wordt de maatschappij beveiligd en krijgt verdachte een kans om aan zijn problematiek te werken. De rechtbank is er, gelet op het reclasseringsadvies, niet van overtuigd dat een minder streng kader, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel, dezelfde mogelijkheden voor bestendige verbetering en bescherming van de maatschappij zal bieden. Om behandelmogelijkheden niet te doorkruisen, houdt de rechtbank bij de duur van de ISD-maatregel geen rekening met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
8 De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het onder 2 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 350,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [aangever 3] heeft in verband met het onder 3 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.402,60 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] voor een bedrag van € 850,00 kan worden toegewezen en het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] voor een bedrag van € 3.302,60 kan worden toegewezen en het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verder dient de wettelijke rente worden toegekend en heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd tot € 48,09. Verdachte heeft ten eerste namelijk één vol krat bier en drie lege kratten bier meegenomen ter waarde van € 30,59. Daarnaast stelt de verdediging dat niet voor een bedrag van € 50,00 aan lege blikjes en flessen is meegenomen, maar naar schatting ter waarde van € 7,50 en de gevorderde speciekuip heeft blijkens het internet een waarde van € 10,00. De verdediging heeft bepleit dat de gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet blijkt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde post van ‘eerdere diefstal statiegeld’ ter hoogte van € 100,00 dient te worden afgewezen en dat het overige dient te worden gematigd, omdat voor de fiets de nieuwprijs wordt gevorderd, terwijl de fiets vijf jaar oud is en omdat het op de weg van de benadeelde partij had gelegen te onderzoeken in hoeverre de verzekering tot uitkering had kunnen overgaan.
Overweging van de rechtbank
[aangever 2]
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd. Bij het bepalen van de hoogte van de materiële schade zal de rechtbank daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 50,00 kan worden toegewezen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Smartengeld
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ van de benadeelde partij. Hoewel de benadeelde partij de immateriële schade heeft onderbouwd met een zelfgeschreven brief, vraagt een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in zaken als de onderhavige dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een brief van een psycholoog. Aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan ook worden aangenomen als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen. Daar is in dit geval echter geen sprake van.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 18 juni 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[aangever 3]
De rechtbank overweegt dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen het bewezen verklaarde en de gevorderde post ‘eerdere diefstal statiegeld’. De rechtbank zal om die reden dit deel van de vordering afwijzen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten ‘2 kratten Hertog-Jan’, ‘1 zadeltas’ en ‘1 bidonhouder’ zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Dit betreft een totaalbedrag van € 80,90 (respectievelijk € 42,00, € 27,95 en € 10,95).
De rechtbank overweegt ten aanzien van de schadepost ‘fiets’ dat deze voldoende is onderbouwd, maar de rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd. De fiets is in januari 2021 gekocht en blijkens de factuur heeft de benadeelde daarbij ook een bidonhouder gekocht en betaald. De benadeelde heeft het totaalbedrag van de fiets inclusief de bidonhouder gevorderd en hij heeft ook een nieuwe losse zadeltas en bidonhouder gevorderd. De bidonhouder is dus twee keer gevorderd. De rechtbank trekt daarom de waarde van de oorspronkelijke bidonhouder af van de door de benadeelde partij verstrekte factuur. Hierdoor resteert een bedrag van € 3.208,75 (€ 3.221,70 - € 12,95). Verder is ten aanzien van de fiets sprake van afschrijvingskosten. De rechtbank zal, rekening houdend met afschrijvingskosten van 50%, gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en is van oordeel dat een bedrag van € 1.604,38 kan worden toegewezen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 21 juni 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de maatregelen is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 60 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10 De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;
- veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 50,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2], een bedrag te betalen van € 50,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 1.685,28 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
wijst de post ‘eerdere diefstal statiegeld’ onderdeel van de vordering tot materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij [aangever 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 3], een bedrag te betalen van € 1.685,28 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 16 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. P.M. Ton Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 oktober 2026.
Mr. Y. van Wezel is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummers PL0600-2026303486 en PL0600-2026338774, gesloten op 8 en 9 juli 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.