Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Gelderland, 22 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8217Zaaknummer ARN 26/4712

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/4712
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening; niet-ontvankelijk; geen griffierecht betaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Heeft verzoeker het griffierecht betaald?
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/4712

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2026

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van West Maas en Waal

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

1.2.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

2. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft het college een verbeurde dwangsom van € 10.000,- bij verzoeker ingevorderd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.2.1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen.[_b6833dd5-c8bd-4513-8db8-8d67cfb55e89] In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft de griffier verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen?

3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 16 september 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als verzoeker het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) heeft betaald hij het risico loopt dat zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. De in de aangetekende brief vermelde betalingstermijn eindigde daarmee op 30 september 2026.

Heeft verzoeker het griffierecht betaald?

4. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoeker het griffierecht niet heeft voldaan.Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

5. Uit informatie van PostNL blijkt dat de aangetekend verzonden brief op 18 september 2026 om 13:29 uur is aangeboden, maar dat bezorging niet is gelukt. De brief is vervolgens naar het PostNL punt verzonden. Verzoeker heeft het niet afgehaald. Het niet op het postkantoor afhalen van een aan hem geadresseerd aangetekend verzonden poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker komt. Ook overigens is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.