Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8101Zaaknummer ARN 26/5309
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 26/5309
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo, kennelijk ongegrond, college heeft begunstigingstermijn in redelijkheid niet verder verlengd.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, op 16 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/5309
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college om de begunstigingstermijn van een aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom niet verder te verlengen.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.[_d120904e-61af-4528-a566-c293309dbfe4] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Aan verzoeker is een last onder dwangsom opgelegd vanwege het realiseren van een opbouw op een bijgebouw, het bebouwen van een te groot oppervlakte met bijbehorende bouwwerken en het realiseren van een carport in het voorerf op de percelen met het adres [adres] in Beneden-Leeuwen (het perceel) zonder omgevingsvergunning. Deze last onder dwangsom is met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 augustus 2026 onherroepelijk geworden.[_446d4b4d-de15-46f2-80ea-a549b55bbda0]
In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het volgende opgenomen:
‘De voorzieningenrechter ziet als rechter die uitspraak doet in de hoofdzaak aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat [appellant] binnen twee weken na het doen van deze uitspraak aan de last moet voldoen. Deze voorlopige voorziening houdt in dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt verlengd tot acht weken na verzending van deze uitspraak voor zover de last ziet op de opbouw op het bijbehorend bouwwerk en het aantal vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken. De voorzieningenrechter acht dit een redelijke termijn om aan de last te kunnen voldoen, die niet wezenlijk langer is dan nodig om aan de last te kunnen voldoen.’
Als gevolg van de getroffen voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter van de Afdeling verstrijkt de begunstigingstermijn op dit moment op 22 oktober 2026. Verzoeker heeft het college per mail van 21 september 2026 verzocht om de begunstigingstermijn van last 1 verder te verlengen. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 29 september 2026 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Er loopt bij de rechtbank nog een zaak (zaaknummer: 26/1919) over de geweigerde (legaliserende) vergunning. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter concreet om de begunstigingstermijn bij wijze van voorlopige voorziening te verlengen tot zes weken na de uitspraak in de zaak met zaaknummer 26/1919.
De voorzieningenrechter ziet hier geen aanleiding voor. Daarvoor is het volgende van belang.
Zoals in rechtsoverweging 2.1 is weergegeven, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling uitdrukkelijk overwogen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak van 27 augustus 2026 een redelijke termijn te vinden om aan de last te kunnen voldoen, waarbij dit een termijn is die niet wezenlijk langer is dan nodig om aan de last te kunnen voldoen. Kortom: de hoogste bestuursrechter heeft reeds geoordeeld dat acht weken in dit geval een redelijke begunstigingstermijn is. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten om de begunstigingstermijn niet nog verder te verlengen. Een begunstigingstermijn is er tenslotte niet op gericht om de mogelijke legalisering van niet vergunde activiteiten af te wachten, maar strekt ertoe om een termijn te stellen waarbinnen de overtreder de last onder dwangsom kan voorkomen door aan de last te voldoen.
Omdat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de begunstigingstermijn niet verder te verlengen en het bestreden besluit daarmee naar voorlopig oordeel rechtmatig is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, op 16 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
- ABRvS 27 augustus 2026 (vzr.), ECLI:NL:RVS:2026:5039.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.