Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Gelderland, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8100Zaaknummer ARN 25/4637

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/4637
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Naheffing MRB. Verzuimboete. Auto verkocht in het buitenland zonder vrijwaringsbewijs. Er moet motorijtuigenbelasting worden betaald zolang het kenteken op naam belanghebbende staat.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. den Blaauwen-Jansen, griffier.

Uitgesproken op 21 oktober 2026

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

De griffier is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenenrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Feiten
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/4637

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 oktober 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 oktober 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 10 januari 2025 tot en met 9 april 2025 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ( [aanslagnummer]) opgelegd van € 201 (de naheffingsaanslag) en bij beschikking een boete van € 67, omdat er sprake was van een tweede verzuim (de verzuimboete).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2].

Feiten

1. Belanghebbende is volgens het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW) van 15 februari 2024 tot 28 oktober 2025 houder van de kampeerauto met [kenteken] (de auto) geweest.

2. De tenaamstelling in het kentekenregister is per 28 oktober 2025 beëindigd vanwege export.

3. Belanghebbende heeft de motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 10 januari 2025 tot en met 9 april 2025 (nog) niet betaald.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. De rechtbank geeft ook een oordeel over de verzuimboete. Zij doet haar beoordeling aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

Belanghebbende stelt dat hij de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen, omdat hij de auto in augustus 2024 in Spanje heeft verkocht. Volgens de inspecteur was belanghebbende kentekenhouder tot 28 oktober 2025 en dus verplicht om motorrijtuigenbelasting te betalen in het tijdvak van de naheffingsaanslag.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

6. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende motorrijtuigenbelasting moet betalen tot 28 oktober 2025, omdat het kenteken van de auto tot die datum op zijn naam stond.[_68def694-2337-4b24-bf36-28cf07a95478] Per 28 oktober 2025 heeft de RDW het kentekenhouderschap van belanghebbende beëindigd, naar aanleiding van belanghebbendes uitleg dat hij het voertuig eerder in Spanje heeft verkocht. De RDW heeft daarbij opgemerkt dat zij niet de mogelijkheid heeft om het kentekenhouderschap met terugwerkende kracht aan te passen. De inspecteur en de rechtbank moeten volgens de wet het kentekenregister volgen[_946b7bb8-6259-4b0a-a004-8030bd9447ac], zodat wie kentekenhouder is motorrijtuigenbelasting moet betalen. Omdat belanghebbende de belasting niet tijdig heeft betaald, kon de inspecteur die belasting op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)[_0d452f32-8b17-4045-9252-ef68ea6448c8] naheffen. Daarom is de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting terecht opgelegd. Ook de hoogte van het nageheven bedrag is in overeenstemming met wat belanghebbende moest betalen.

De verzuimboete

7. In de wet[_c468f73e-a644-4433-84dd-a07a69d9afa0] staat dat het beroep tegen de naheffingsaanslag geacht wordt mede gericht te zijn tegen de opgelegde boete. Daarom beoordeelt de rechtbank ook of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

8. Op grond van artikel 67c, eerste lid, van de AWR vormt het niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van de verschuldigde belasting een verzuim ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 6.709.

9. Volgens het tweede lid van dit artikel wordt bij niet betalen van de belasting een verzuimboete opgelegd, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. Omdat het een verzuimboete betreft, is geen opzet of grove schuld vereist. Het enkele niet of te laat betalen is voldoende om de boete op te kunnen leggen.

10. Volgens het beleid van de Belastingdienst dat is vastgelegd in paragraaf 33, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) kan de inspecteur bij een tweede verzuim een boete opleggen van 1% van het wettelijk maximum van € 6.709.

11. De inspecteur heeft onbetwist gesteld dat belanghebbende voor de tweede keer in verzuim is, omdat hij al een keer eerder de motorrijtuigenbelasting voor de auto niet (tijdig) heeft betaald. Daarom is gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag ook een verzuimboete van € 67 opgelegd. Voor een vernietiging van de boete bestaat volgens de inspecteur geen grond.

12. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de verzuimboete conform de wet en het beleid terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding om de opgelegde boete te matigen. De stelling van belanghebbende dat hij de (kapotte) auto wegens plotselinge ziekte van zijn vrouw in Spanje daar heeft verkocht en hij daarbij geen vrijwaringsbewijs heeft gekregen, is niet voldoende voor matiging van de boete. De boete is namelijk alleen opgelegd vanwege het niet betalen van de belasting; de boete betekent niet dat aan belanghebbende een verwijt wordt gemaakt over de gang van zaken bij de verkoop van de auto in Spanje. Ook de stelling van belanghebbende dat hij naheffingsaanslag en de boete niet kan betalen, kan niet leiden tot een matiging van de boete. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd en bovendien gaat het om een laag bedrag. De rechtbank acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

Kwijtschelding

14. Belanghebbende verzoekt om zowel kwijtschelding van de naheffingsaanslag als de boete, omdat hij deze bedragen niet kan betalen. De rechtbank kan daarover niet oordelen en verwijst belanghebbende naar de Ontvanger. Een verzoek om kwijtschelding kan belanghebbende doen met het formulier 'Verzoek kwijtschelding van belastingen'. Deze kan hij vinden op de website van de Belastingdienst. Ter zitting heeft de inspecteur aangeboden om belanghebbende hierbij te helpen. De Ontvanger beslist op een dergelijk verzoek.

15. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. den Blaauwen-Jansen, griffier.

Uitgesproken op 21 oktober 2026

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

De griffier is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenenrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

  1. Dit volgt uit artikel 6 en 7 van de Wet MRB. Op grond van artikel 6 van de Wet MRB wordt de belasting geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Op grond van artikel 7, eerste lid onder a, van de Wet MRB wordt het motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het kenteken is gesteld in het kentekenregister.
  2. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onder a van de Wet MRB, in de vorige voetnoot genoemd.
  3. In artikel 20, eerste lid, van de AWR is bepaald dat de inspecteur de te weinig geheven belasting kan naheffen indien belasting, die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald.
  4. Artikel 24a, derde lid, en artikel 26b, tweede lid, van de AWR.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.