Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Gelderland, 2 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8050Zaaknummer ARN 25/2922
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/2922
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Relatieve bevoegdheid rechtbank. Ontvankelijkheid beroep.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. den Blaauwen-Jansen, griffier.
Uitgesproken op 2 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
| griffier | rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2922
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] ( [land] ), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 september 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV; [aanslagnummer]; de aanslag) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.191.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 413 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen gemachtigde en namens de inspecteur mr. [persoon 1] en mr.[persoon 2].
Deze zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer 25/2951.
Feiten
1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1944.
2. Belanghebbende woont meer dan 20 jaren in Zuid-Afrika en is sinds 2019 buitenlands belastingplichtige omdat hij inkomen ontvangt uit Nederland, namelijk een AOW-uitkering, pensioenuitkering van het ABP en een lijfrente-uitkering van Nationale Nederlanden Levensverzekeringen Maatschappij N.V. Op grond van artikel 17 van het belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen Zuid-Afrika en Nederland komt het volledige heffingsrecht over dit inkomen toe aan Nederland.
3. De ambtshalve aanslag IB/PVV 2019 heeft als dagtekening 10 augustus 2022. Op 14 juni 2023 is de aangifte op papier ingediend. Op 25 juli 2023 is bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaar is op 11 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen.
4. Het beroepschrift van 3 juli 2025 is op 4 juli 2025 door de rechtbank ontvangen.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de rechtbank bevoegd en of het beroep ontvankelijk is. Indien dat het geval is, beoordeelt zij of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Mocht de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van het beroep toekomen, dan beoordeelt zij of de hoorplicht is geschonden en of de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de rechtbank Gelderland in deze zaak relatief bevoegd?
7. Belanghebbende is woonachtig in Zuid-Afrika. De uitspraak op bezwaar is gedaan door de Belastingdienst, kantoor Heerlen. In dat geval is de rechtbank Zeeland-West-Brabant relatief bevoegd om deze zaak te behandelen. Gelet op proceseconomische redenen behandelt de rechtbank Gelderland onderhavige zaak toch zelf. Het beroep is immers al meer dan een jaar geleden ingesteld en doorzenden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant zou nog meer vertraging opleveren. Mocht een van de partijen (of beide) hoger beroep instellen, dan kan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op grond van artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
Is het beroep inzake de aanslag ontvankelijk?
8. Belanghebbende stelt dat het beroep ontvankelijk is en voert daartoe het volgende aan:
- de uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 september 2023 is per post ontvangen;
- op 21 september 2023 heeft de belastingdienst de gemachtigde van belanghebbende verzocht om uitstel van de behandeling van het bezwaarschrift en daarbij ten aanzien van de verzuimboetes gesteld:(…) het bezwaar tegen de verzuimboete(s) zal door een andere collega opgepakt worden.[_3448f42b-d5bf-4a08-b387-e68690207450]Belanghebbende kan daar vertrouwen aan ontlenen;
- gemachtigde heeft de Belastingdienst de gelegenheid gegeven het bezwaarschrift opnieuw te beoordelen. Op herhaalde verzoeken per e-mail om te berichten over de voortgang van de behandeling wordt niet door de Belastingdienst gereageerd;
- na telefonisch contact met de Belastingdienst op 6 en 11 juni 2025 wordt het gemachtigde duidelijk dat de Belastingdienst het bezwaar niet (meer) in behandeling heeft.
9. De inspecteur is van mening dat het beroep niet tijdig is ingesteld. Belanghebbende heeft de uitspraak op bezwaar op 11 september 2023 ontvangen. Het beroepschrift is gedagtekend 3 juli 2025 en op 4 juli 2025 bij de rechtbank binnengekomen. De gemachtigde heeft met de ontvanger gecorrespondeerd over de kosten van vervolging en invorderingsrente. De ontvanger heeft de gemachtigde per e-mail van 21 september 2023 geïnformeerd dat de verzuimboetes door een andere collega opgepakt zullen worden. De gemachtigde heeft nadien per e-mail gevraagd naar de status. Op 25 april 2025 is namens de ontvanger uitspraak op bezwaar gedaan waarbij de invorderingsrente uit coulance is verminderd. De omstandigheid dat de ontvanger per e-mail aan gemachtigde heeft laten weten dat het bezwaar tegen de verzuimboete door een andere collega wordt opgepakt, kan volgens de inspecteur niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De gemachtigde had de uitspraak namelijk al ontvangen. Daarnaast geldt dat de inspecteur uitspraak moet doen over de verzuimboete en dat de ontvanger daartoe geen bevoegdheid heeft. De ontvanger heeft enkel aangegeven dat het bezwaar tegen de verzuimboete wordt behandeld door een andere collega en heeft daarbij niet aangegeven of er sprake is van een lopend bezwaar en/of de status hiervan.
10. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.
11. Volgens artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van overschrijding van de beroepstermijn achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet tijdig is ingesteld. De uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 september 2023, is naar de gemachtigde[_68bded8d-78f6-4c8e-ad20-37ad9f5784dc] van belanghebbende (de heer [gemachtigde]) gestuurd. De ontvangst daarvan wordt niet betwist. Er is dus ook geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending van de uitspraak op bezwaar later dan die datum heeft plaatsgevonden. De beroepstermijn eindigde daarom op 23 oktober 2023. De rechtbank heeft het beroepschrift op 4 juli 2025 ontvangen, dus ver buiten de beroepstermijn. De gemachtigde van belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd waarom deze overschrijding van de termijn verschoonbaar zou zijn, zoals bijvoorbeeld een late ontvangst van de uitspraak op bezwaar.
13. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. De ontvanger mailde op 21 september 2023 aan de gemachtigde belanghebbende, dat het bezwaar tegen de verzuimboete(s) door een andere collega opgepakt zal worden. De ontvanger vroeg alleen uitstel tot het doen van uitspraak inzake het bezwaar tegen de kosten van vervolging en de invorderingsrente. Zij gaf niets aan over de termijn van de behandeling of de stand van zaken van het bezwaar tegen de verzuimboete, waaraan belanghebbende enig vertrouwen aan kon ontlenen. Deze beroepsgrond faalt.
14. Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Heeft de inspecteur verzuimd om belanghebbende te horen?
15. Nu de rechtbank van oordeel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, komt zij niet toe aan de beoordeling of de hoorplicht is geschonden.
Is de verzuimboete terecht vastgesteld?
16. Nu de rechtbank van oordeel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, komt zij niet toe aan de beoordeling of de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
17. Belanghebbende verzoekt eerst in zijn beroepschrift om toekenning van een immateriële schadevergoeding als de behandeling in eerste aanleg langer dan twee jaar duurt.
18. De inspecteur geeft aan dat het enkel om de verzuimboete gaat. De jurisprudentie inzake de immateriële schadevergoeding is daarom niet van toepassing. Het gaat in casu om een verzuimboete van € 385 dus ruim minder dan € 1.000, zodat de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, volstaat.[_1a9679c6-58b8-4660-9b35-20a433512ded] Eveneens bestaat geen recht op een immateriële schadevergoeding, aldus de inspecteur.
19. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Wanneer het geschil niet inhoudelijk aan de rechtbank is voorgelegd, zoals in dit geval, bestaat alleen recht op toekenning van immateriële schadevergoeder als de rechtbank uitspraak doet nadat in een periode van meer dan twee jaren en sinds het instellen van het beroep een periode van meer dan anderhalf jaar is verstreken.[_1818d47d-dfb2-4364-a9a1-ba303af56cb6] Nu de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, geeft zij over een eventuele overschrijding van de redelijke termijn alleen een oordeel over de tijd die de rechtbank nodig heeft gehad. Het beroep is op 4 juli 2025 ingediend. De termijn van anderhalf jaar is niet verstreken. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van immateriële schade.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de aanslag, de belastingrentebeschikking en boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van immateriële schade. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. den Blaauwen-Jansen, griffier.
Uitgesproken op 2 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
| griffier | rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie bijlage 5 bij het beroepschrift inzake het belastingjaar 2020 (dossiernummer 25/2951).
- Sinds 8 mei 2023 gemachtigde van belanghebbende.
- De inspecteur verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.
- Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1516.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.