Uitspraak · Arbeidsrecht

Rechtbank Gelderland, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7787Zaaknummer 12273393 VV EXPL 26-42

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
12273393 VV EXPL 26-42
Rechtsgebied
Civiel recht, Arbeidsrecht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Apeldoorn
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overgang van onderneming

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen jegens [gedaagde 2] af;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen het achterstallig loon over de periode van 1 april 2026 tot en met 1 juni 2026 van € 10.371,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en tot maandelijkse betaling van het loon van [eiser] totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 751,78 (inclusief btw),

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] deugdelijke bruto/netto-specificaties te verstrekken van het onder 5.2 toegewezen loon en vakantiegeld, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00,

5.6.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.435,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026. (LL)
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaaknummer: 12273393 \ VV EXPL 26-42

Vonnis in kort geding van 30 juli 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. A.J. Heijman,

tegen

1 [gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,

te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [gedaagde 2],

gedaagde partijen,

procederend bij haar directeur: [persoon 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 juni 2026,

- productie 39 van de zijde van [eiser] ,- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [gedaagde 1].

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] en [bedrijf 2] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: [bedrijf 2]) zijn ondernemingen die zich bezig houden met de vervaardiging van brood en vers banketbakkerswerk. [gedaagde 2] is een zustervennootschap van [gedaagde 1] en is, net als [gedaagde 1], een dochtervennootschap [bedrijf 1] B.V.

2.2.

[eiser] is op 18 februari 2018 bij [bedrijf 2] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze overeenkomst is meermaals verlengd, waarna er per 1 februari 2021 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. [eiser] vervulde in dat kader de functie van [functie] voor 24 uur per week tegen een laatstelijk basissalaris van € 1.902,95 bruto per maand.

2.3.

Op 5 maart 2026 heeft [persoon 1], eigenaar van [bedrijf 2] (hierna: [persoon 1] ), mondeling laten weten dat hij [bedrijf 2] had verkocht aan [gedaagde 1] en dat alle werknemers hun gebruikelijke werkzaamheden daar zouden kunnen voortzetten.

2.4.

Op 18 maart 2026 stuurt [persoon 1] in de WhatsAppgroep van de medewerkers van [bedrijf 2], het volgende bericht:

“Beste allemaal,

De aankomende dagen wil ik gebruiken om met een ieder van jullie een persoonlijk gesprek aan te gaan over de overgang van productie naar [persoon 2] en jullie persoonlijke toekomst hierin. Ik zal hier morgen mee starten. Fijne avond en tot morgen.

Groet [persoon 1] ”

2.5.

Na het WhatsAppbericht van 18 maart 2026 heeft [persoon 1] op 19 maart 2026 gesprekken gevoerd met zijn werknemers en zijn door hem nieuwe arbeidsovereenkomsten aangeboden op basis waarvan zij per 1 april 2026 bij [gedaagde 2] in dienst konden treden. De aangeboden arbeidsovereenkomsten gelden voor bepaalde tijd, bevatten een proeftijdbeding en een andere (minder gunstige) regeling voor reiskostenvergoeding. Op de aangeboden arbeidsovereenkomsten is het huisreglement van [gedaagde 1] van toepassing verklaard. [eiser] heeft de aangeboden arbeidsovereenkomst niet getekend.

2.6.

Vanaf 23 maart 2026 hebben [eiser] en haar collega’s geholpen met het gereedmaken en inpakken van goederen van [bedrijf 2] die naar [gedaagde 1] zouden worden overgebracht. Op 24 maart 2026 ontvangen [eiser] en haar collega’s een e-mail genaamd “Welkom in dienst” van [gedaagde 1], waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“(…)Wat leuk dat je het team van [gedaagde 1] per 1 april komt versterken!

Samen met [naam] ben ik achter de schermen druk bezig om een zo soepel mogelijke implementatie te verzorgen. We kijken er enorm naar uit om je te verwelkomen in on team, hopelijk jij ook!

Om je per 1 april officieel in dienst te kunnen melden, ontvangen we graag de volgende gegevens van: (…)”

2.7.

Op 25 maart 2026 zijn alle op dat moment werkzame medewerkers van [bedrijf 2] in [vestigingsplaats] naar de [plaats] van [gedaagde 1] gegaan voor een kennismaking met de directeur [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) en aldaar aanwezig personeel. Hierna is een rondleiding gegeven op de werklocatie van [gedaagde 1] in [vestigingsplaats] aan de medewerkers van [bedrijf 2].

2.8.

Op 26 maart 2026 stuurt [persoon 1] het volgende bericht in de WhatsAppgroep van [bedrijf 2]:

“Dames en Heren, indien jullie je je contract hebben ontvangen en hier vragen en/of opmerkingen over hebben ontvangen wij deze graag per mail op het mail adres van [naam]. [naam] en ik zullen dit voor jullie collectief gaan bespreken met HR en komen er dan op terug. Bedankt voor het delen! Groet [persoon 1] ”

2.9.

Vanaf 30 maart 2026 verricht [eiser] werkzaamheden op de locatie van [gedaagde 1].

2.10.

Op 2 april 2026 ontvangt [eiser] een aangepaste arbeidsovereenkomst en op

9 april 2026 is zij aangemeld in de personeelsplanningsapp van [gedaagde 1] (Dish) waarin te zien is dat zij voor al haar reguliere arbeidsuren zoals bij [bedrijf 2], is ingepland bij [gedaagde 1]. [eiser] tekent de arbeidsovereenkomst niet.

2.11.

[persoon 1] stuurt op 13 april 2026 de volgende e-mail aan medewerkers van [bedrijf 2]:

“(…)Eenieder van jullie heeft in de afgelopen periode een contract aangeboden gekregen vanuit [gedaagde 1].

Na de nodige aanpassingen ligt er voor iedereen een goed voorstel om de voorzetting van de productie van BBP onder de aam van [persoon 2] een eerlijke kans te geven.

Via deze weg wil ik jullie informeren over de beëindiging van [bedrijf 2] B.V.

Op 31 maart heb ik faillissement aangevraagd bij de rechtbank voor de BV, [bedrijf 2].

Dit omdat de huur voor de locatie van de zagerij 3 geëindigd is en inmiddels alle activiteiten verhuisd zijn naar [vestigingsplaats].

Het uwv zal in samenspraak met de curator zorgen voor een correcte afhandeling van opgebouwde vakantie geld en vakantie dagen. Hier zullen jullie geen financiële gevolgen aan hebben. (…)”

2.12.

Op 14 april 2026 ontvangt [eiser] een e-mail van [gedaagde 1] waarin [gedaagde 1] aan [eiser] mededeelt dat zij niet meer hoeft te komen werken nu zij niet is overgegaan tot ondertekening van een nieuwe arbeidsovereenkomst. [eiser] laat op dezelfde dag weten dat zij beschikbaar is om werkzaamheden te verrichten en dat zij de volgende dag op werk zal verschijnen.

2.13.

[eiser] heeft op 15, 16 en 20 april 2026 haar reguliere werkdagen volgens planning gewerkt bij [gedaagde 1].

2.14.

[bedrijf 2] is op 21 april 2026 failliet verklaard.

2.15.

Vanuit de planningsapp Dish ontvangt [eiser] op 21 april 2026 een e-mail met het verzoek om een kopie van haar identiteitsbewijs en het ingevulde loonheffingsformulier aan te leveren in verband met de verloning.

2.16.

Namens [eiser] stuurt haar gemachtigde op 21 april 2026 een brief aan [gedaagde 1] waarin zij [gedaagde 1] verzoekt het salaris tijdig over te maken en waarin zij stelt dat sprake is van een overgang van onderneming en dat niet van haar verwacht hoeft te worden dat zij een arbeidsovereenkomst tekent met slechtere voorwaarden.

2.17.

Op 21 april 2026 bericht [gedaagde 1] aan [eiser] dat van overname van onderneming geen sprake is en dat zij niet zal overgaan tot betaling van het loon.

2.18.

Op 22 april 2026 is [eiser] tijdens haar werktijd van de werkvloer gehaald door [persoon 1] en naar huis gestuurd omdat zij de aangeboden arbeidsovereenkomst(en) niet heeft getekend. Op dezelfde dag wordt de arbeidsovereenkomst van [eiser] met [bedrijf 2], voor zover deze nog zou bestaan, door de curator opgezegd en wordt zij doorverwezen naar het UWV voor betaling van haar loon.

2.19.

Op 25 mei 2026 ontvangt [eiser] van het UWV bericht dat zij geen recht heeft op een faillissementsuitkering nu er sprake is van overgang van onderneming naar [gedaagde 1] te [vestigingsplaats].

2.20.

Op 9 juni 2026 heeft het UWV een onderzoeksrapport opgesteld waarin, voor zover relevant, het volgende is opgenomen:

“(…) Onderzoeksvragen

- Is er sprake van een overgang van onderneming (Wovon) van [bedrijf 2] B.V. naar [gedaagde 1] of een andere gelieerde onderneming? Wat is de datum van de overgang van de onderneming? (…)

Samenvattend

Het is aannemelijk dat er sprake is van een overgang van onderneming (Wovon). Failliet ( [bedrijf 2] B.V.) is voorgezet door [gedaagde 1] B.V. per 1 april 2026. De identiteit van failliet is door de overname door [gedaagde 1] B.V. behouden gebleven. [persoon 2] haalde de productie terug en nam de inventaris van de failliet over. Het actieve personeelsbestand van de failliet kreeg een aanbod om voor [persoon 2] te gaan werken. Het doet niet terzake of [gedaagde 1] B.V. de intentie had om failliet over te nemen. [gedaagde 1] B.V. dient daarom onder andere alle verplichtingen aan het personeel van failliet over te nemen. Met bovenstaande beantwoording van de Spijkers-criteria zijn de onderzoeksvragen ook beantwoord. p

Conclusie

Naar aanleiding van het onderzoek is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een overgang van onderneming (Wovon) van failliet. De afdeling OSW is op 21 mei 2026 mondeling en schriftelijk geadviseerd om de aanvragen uitkeringen betalingsonmacht af te wijzen. Het ontbrekende salaris, vakantiegeld en niet uitbetaalde overige vergoedingen dienen de aanvragers te vorderen bij [gedaagde 1] B.V. (…)”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat – om [gedaagde 1] te veroordelen tot:

  • betaling aan [eiser] van € 5.708,85 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 april 2026 tot en met 1 juni 2026 en maandelijks de salarisbetaling voort te zetten totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
  • betaling aan [eiser] van € 1.826,83 bruto voor vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2025,
  • betaling aan [eiser] van de (maximale) wettelijke verhoging over de onder A en B gevorderde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid,
  • betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de bedragen onder A, B en C, vanaf de dag van opeisbaarheid,
  • het verstrekken van deugdelijke bruto/netto-specificaties over de maanden april, mei en juni 2026 en het verschuldigde vakantiegeld, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag met een maximum van € 10.000,00
  • betaling van Doormanm van de buitengerechtelijke incassokosten van € 751,78,
  • betaling van de proceskosten.
3.2.

[gedaagde 1] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen. Zij heeft haar salaris over de maanden april, mei en juni 2026 en het opgebouwde vakantiegeld niet ontvangen, terwijl zij voor haar levensonderhoud afhankelijk is van tijdige betaling daarvan. Daarmee is het spoedeisend belang voldoende gegeven.

4.2.

Voordat toegekomen wordt aan de vorderingen van [eiser], dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van een overgang van onderneming tussen [gedaagde 1] en [bedrijf 2], op grond waarvan de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf 2] van rechtswege zijn overgegaan op [gedaagde 1].

4.3.

Op grond van artikel 7:662 BW is sprake van een overgang van onderneming bij de overgang, ten gevolge van overeenkomst, fusie of splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Daarnaast bepaalt artikel 7:663 BW dat door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger.

4.4.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een overgang van onderneming van [bedrijf 2] naar [gedaagde 1] in de zin van artikel 7:662 BW. Daartoe is het volgende redengevend.

4.5.

Het UWV-rapport wordt inhoudelijk niet door [gedaagde 1] betwist, zodat van de juistheid daarvan uitgegaan kan worden. Uit het UWV-rapport volgt dat vrijwel de gehele inventaris van [bedrijf 2] is overgenomen. Dit wordt ook bevestigd door de curator, die een overzicht heeft verstrekt van de overgenomen bedrijfsmiddelen. Daarnaast vermeldt het UWV-rapport dat [gedaagde 1] ook het klantenbestand van [bedrijf 2] heeft overgenomen. [gedaagde 1] heeft in dit kader aangevoerd dat zij vanwege het ontbreken van bepaalde certificaten klanten van [bedrijf 2] niet kan bedienen, maar dit wordt gemotiveerd weersproken door [eiser] en voorts staat vast dat [gedaagde 1] op

10 april 2026 inzet op het behalen van de ontbrekende certificaten zodat zij die klanten (weer) kan bedienen. Verder volgt uit het rapport dat van een wezenlijke onderbreking van de werkzaamheden van [bedrijf 2] geen sprake lijkt te zijn geweest. De activiteiten van [bedrijf 2] zijn eind maart 2026 beëindigd. [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat de eerste werkdag van de collega’s van [bedrijf 2] bij [gedaagde 1] al op 26 maart 2026 was. Voorts heeft [gedaagde 1] alle werkzame medewerkers van [bedrijf 2] een arbeidsovereenkomst aangeboden, behoudens drie medewerkers die ziek waren en een medewerker die in een familiaire relatie staat tot [persoon 1]. Dat een aantal van de werknemers van [bedrijf 2] de door [gedaagde 1] aangeboden arbeidsovereenkomst wel heeft getekend, doet aan het voorgaande niets af.

4.6.

De hiervoor genoemde omstandigheden leiden tot het oordeel dat in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat sprake is van een overgang van onderneming. Dit brengt mee dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf 2] van rechtswege zijn overgegaan op [gedaagde 1], zodat [gedaagde 1] gehouden is tot betaling van het achterstallig loon over de periode van 1 april 2026 tot en met 1 juni 2026 aan [eiser]. [gedaagde 1] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de (hoogte van de) vorderingen van [eiser] zodat deze zullen worden toegewezen.

4.7.

Omdat [gedaagde 1] het loon vanaf april 2026 en het vakantiegeld niet tijdig aan [eiser] heeft betaald, is zij de wettelijke verhoging verschuldigd als bedoeld in artikel 7:625 BW. De wettelijke verhoging wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke verhoging voor wat betreft de maand juni 2026 en het vakantiegeld wordt vastgesteld op 25%.

Dit betekent dat de volgende bedragen zullen worden toegewezen:

- € 1.902,95 ( april 2026) + 50% = € 2.854,43

- € 1.902,95 ( mei 2026) + 50% = € 2.854,43

- € 1.902,95 ( juni 2026) + 25% = € 2.378,69- € 1.826,83 vakantiegeld + 25% = € 2.283,54

€ 10.371,09

4.8.

De niet betwiste wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd (vanaf de datum van de dagvaarding).

4.9.

Op grond van artikel 7:626 BW is [gedaagde 1] gehouden bij iedere loonbetaling een deugdelijke loonstrook te verstrekken. Nu de loonvordering wordt toegewezen, heeft [eiser] tevens belang bij verstrekking van de daarbij behorende salaris- en vakantiegeldspecificaties, zodat ook deze vordering zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.10.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat buitengerechtelijke incassokosten zijn verricht. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 751,78 (inclusief btw) zal dan ook worden toegewezen.

4.11.

[gedaagde 1] krijgt jegens [eiser] ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€161,56
- griffierecht€265,00
- salaris gemachtigde€865,00
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.435,56
4.12.

[eiser] heeft ter zitting toegelicht dat zij [gedaagde 2] uitsluitend in rechte heeft betrokken omdat de haar aangeboden arbeidsovereenkomst op naam van [gedaagde 2] stond en zij wilde voorkomen dat haar vorderingen zouden stranden indien niet [gedaagde 1], maar [gedaagde 2] als werkgever zou moeten worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt echter dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van [eiser] als gevolg van de overgang van onderneming op [gedaagde 1] zijn overgegaan. De vorderingen jegens [gedaagde 2] zullen daarom worden afgewezen. Omdat [gedaagde 2] vertegenwoordigd is door dezelfde bestuurder als [gedaagde 1], zullen die proceskosten worden vastgesteld op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen jegens [gedaagde 2] af;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen het achterstallig loon over de periode van 1 april 2026 tot en met 1 juni 2026 van € 10.371,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en tot maandelijkse betaling van het loon van [eiser] totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 751,78 (inclusief btw),

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] deugdelijke bruto/netto-specificaties te verstrekken van het onder 5.2 toegewezen loon en vakantiegeld, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00,

5.6.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.435,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026. (LL)
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.