Uitspraak · Arbeidsrecht

Rechtbank Gelderland, 17 september 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7642Zaaknummer K/5001/12333231

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
K/5001/12333231
Rechtsgebied
Civiel recht, Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Loonvordering daarom grotendeels toegewezen. Verzoek afgifte loonstroken afgewezen. Wettelijke verhoging gematigd tot 25%.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt IPV om [eiser] toe te laten tot de werkzaamheden,

5.2.

veroordeelt IPV om aan [eiser] te betalen:

  • een bedrag van € 5.791,44 bruto aan achterstallig salaris, voorzien van deugdelijke loonspecificaties;
  • een bedrag van € 2.895,72 bruto aan wettelijke verhoging;
  • een bedrag van € 979,32 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • e wettelijke rente over voormelden bedragen als bedoeld in artikel 6:119 BW, over de bedragen genoemd onder a. en b. vanaf de datum van opeisbaarheid, tot de dag van volledige betaling, en over het bedrag genoemd onder c. vanaf 10 augustus 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.3.

veroordeelt IPV om aan [eiser] te betalen de 4-wekelijkse betalingsperiode van

€ 2.702,67 bruto, met ingang van betalingsperiode 9, voorzien van een deugdelijke loonspecificatie,

5.4.

veroordeelt IPV in de proceskosten van € 669,50 bij definitieve toekenning van de toevoeging, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.5.

veroordeelt IPV in de proceskosten van € 997,17 bij weigering van de toevoeging, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en veroordeelt IPV tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

veroordeelt IPV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

47414 \ 53854

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 12333231 \ VV EXPL 26-115

Vonnis in kort geding van 17 september 2026

in de zaak van

[eiser],

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. B.W.P.M. van Orsouw,

tegen

INDUSTRIËLE PERSONEELS VOORZIENINGEN B.V.,

te Ede,

gedaagde partij,

hierna te noemen: IPV,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 augustus 2026 met producties 1 tot en met 12;

- de conclusie van antwoord van IPV met producties 1 tot en met 4;

- de akte overlegging productie 13 van [eiser] ;- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is het kort geding van de heer [partner eiser] (de partner van [eiser]) tegen IPV (zaaknummer: 12333239) gelijktijdig behandeld. - de pleitnota van [eiser] .- de akte uitlating van [eiser] met een productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser], geboren op [geboortedag] 1976, is sinds 25 september 2017 in dienst bij IPV. De functie van [eiser] is uitzend- en/of productiemedewerker met een loon van laatstelijk

€ 2.702,67 bruto (inclusief 8% vakantiegeld) per 4 weken voor een arbeidsomvang van 36 uur per week.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor uitzendkrachten van toepassing.

2.3.

De moedertaal van [eiser] is Roemeens en zij spreekt geen enkele andere taal.

2.4.

Op 9 april 2026 wendt [eiser] zich tot een Duitse bedrijfsarts.

2.5.

Op 10 april 2026 meldt [eiser] zich ziek.

2.6.

Op 28 april 2026 ondertekent [eiser] een vaststellingovereenkomst (geantedateerd op 12 februari 2026). In de vaststellingsovereenkomst staat dat partijen in goed overleg hebben besproken de samenwerking per voornoemde datum te beëindigen en dat [eiser] geen aanspraak maakt op een transitievergoeding.

2.7.

Op 29 april 2026 verneemt [eiser] van het UWV dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering naar aanleiding van de gesloten vaststellingsovereenkomst.

2.8.

Op 22 mei 2026 stuurt de voormalig gemachtigde van [eiser] een brief naar IPV met daarin dat het initiatief van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij IPV ligt, dat geen sprake is van een dringende reden, dat IPV een transitievergoeding verschuldigd is aan [eiser] en dat [eiser] bereid is om medewerking te verlenen aan een beëindiging met wederzijds goedvinden mits onder meer een aantal vergoedingen worden toegekend.

2.9.

Bij brief van 9 juni 2026 bericht de voormalig gemachtigde van [eiser] aan IPV dat de getekende vaststellingsovereenkomst niet heeft geleid tot een rechtsgeldig einde van de arbeidsverhouding, dat [eiser] zich beschikbaar houdt voor werk en aanspraak maakt op loondoorbetaling, wettelijke verhoging en rente en dat [eiser] nog steeds bereid is om medewerking te verlenen aan een beëindiging met wederzijds goedvinden.

2.10.

Bij aangetekende brief van 8 juli 2026 bericht de gemachtigde van [eiser] aan IPV dat geen sprake is van een met de wil van [eiser] overeenstemmende verklaring en de getekende vaststellingsovereenkomst daardoor niet heeft geleid tot een einde van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op betaling van loon en emolumenten, vermeerderd met kosten.

2.11.

Op 4 augustus 2026 stuurt de gemachtigde van [eiser] een aangetekende brief naar IPV waarin IPV onder andere wordt gesommeerd om tot betaling over te gaan van het achterstallige loon en emolumenten, vermeerderd met kosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:

  • voorzover de vaststellingsovereenkomst niet nietig is of zonder rechtsgevolg, de vaststellingsovereenkomst vernietigt wegens dwaling, althans vaststelt dat de deze vernietigd danwel nietig is;
  • IPV veroordeelt om [eiser] toe te laten tot de werkzaamheden, nadat [eiser] is hersteld, te beoordelen door een bedrijfsarts;
  • IPV veroordeelt om binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis loonstroken over alle 4-wekelijkse betalingsperiodes vanaf de datum van indiensttreding tot en met de 4-wekelijkse betalingsperiode 8 van 2026 aan [eiser] te verstrekken, behalve betreffende de 4-wekelijkse betalingsperiodes 2024-9, 2025-7, 2026-1, 2026-2, 2026-3 en 2026-4, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of een dagdeel daarvan, met een maximum van € 20.000,-;
  • IPV veroordeelt om binnen 5 dagen na dagtekening van het vonnis aan [eiser] te betalen:

a. een bedrag van € 10.810,68 bruto aan achterstallig salaris;

b. een bedrag van € 5.405,34 bruto aan wettelijke vertragingsvergoeding;

c. een bedrag van € 1.133,96 aan buitengerechtelijke incassokosten;

d. de wettelijke rente over voormelden bedragen;

5. IPV veroordeelt tot betaling van de 4-wekelijkse betalingsperiode van € 2.702,67 bruto, met ingang van betalingsperiode 9, voorzien van een deugdelijke loonspecificatie;

6. IPV veroordeelt in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De vaststellingsovereenkomst heeft geen rechtsgevolg. De vaststellingsovereenkomst is opgesteld in het Nederlands. [eiser] spreekt geen woord Nederlands. Zij wist daarom niet wat zij tekende en wat daarvan het rechtsgevolg zou zijn. Door IPV is zij niet vooraf op de gevolgen van ondertekening gewezen en ook is zij niet verwezen naar een jurist. IPV heeft zich daardoor niet als een goed werkgever gedragen. [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst niet onder deze voorwaarden willen beëindigen en daarom strookt de ondertekening ook niet met haar wil. Subsidiair legt [eiser] aan haar vordering ten grondslag dat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd danwel alsnog vernietigd moet worden wegens dwaling. [eiser] maakt op basis van voornoemde gronden aanspraak op wedertewerkstelling nadat een bedrijfsarts heeft verklaard dat zij weer arbeidsgeschikt is en op betaling van achterstallig salaris en emolumenten, vermeerderd met kosten, en onder verstrekking van loonspecificaties.

3.3.

IPV voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser]. Zij voert daartoe onder meer aan dat [eiser] zelf heeft gevraagd om ontslag en om die reden een vaststellingsovereenkomst is opgesteld en door beide partijen is ondertekend. In de week na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst heeft de heer [persoon 1] gevraagd of [eiser] terug aan het werk wilde. Haar antwoord daarop was: “Nu niet, ik neem een tijdelijke pauze en kom in augustus terug.” Voor het geval IPV geen werk voor haar had, kon ze terecht bij een collega uitzendbureau, namelijk [naam]. De wil om te stoppen was dus aanwezig bij [eiser]. Ze heeft alle geleende materialen en de badge terug gegeven. Daarnaast betwist zij dat [eiser] voldoende Nederlands spreekt dan wel de mogelijkheid heeft (gehad) om Nederlands te begrijpen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht, zoals geformuleerd in r.o. 3.1. onder 1, wordt afgewezen, omdat in kort geding geen constitutief oordeel kan worden afgegeven.

4.2.

Daarnaast is van belang dat in kort geding procestukken minimaal 24 uur voor de mondelinge behandeling moeten zijn ingediend. Stukken die na deze termijn worden ingediend, worden buiten beschouwing gelaten (artikel 3.16 Landelijk procesreglement rechtbanken). De gemachtigde van [eiser] heeft bij de akte uitlating (na de mondelinge behandeling) een advies van de bedrijfsarts van 1 september 2026 in het geding gebracht. Deze is, zoals hiervoor omschreven, te laat ingediend en wordt om die reden buiten beschouwing gelaten.

4.3.

Verder geldt dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.

Spoedeisend belang

4.4.

[eiser] stelt dat zij vanaf 28 april 2026 zonder de gevorderde inkomsten zit en dat zij kampt met grote achterstanden in haar betalingsverplichtingen. Het spoedeisend belang heeft [eiser] hiermee voldoende toegelicht en dat volgt ook uit de aard van de vordering.

Er is (nog) sprake van een arbeidsovereenkomst

4.5.

Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog in stand is gelet op de ondertekening van een vaststellingsovereenkomst. In artikel 7:670b lid 2 BW is bepaald dat, indien de arbeidsovereenkomst door middel van een schriftelijke overeenkomst wordt beëindigd, de werknemer het recht heeft om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, te ontbinden door een schriftelijke aan de werkgever gerichte verklaring. De verklaring heeft het gewenste rechtsgevolg alleen als deze door de werkgever binnen de bedenktermijn is ontvangen. Volgens de wetsgeschiedenis is gekozen voor een bedenktermijn om de werknemer een extra bescherming te bieden in verband met het grote belang voor de werknemer bij een arbeidsovereenkomst en gelet op het aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginsel van de ongelijkheidscompensatie (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 103). Door de bedenktermijn moet voorkomen worden dat een werknemer (al dan niet onder psychische druk van de werkgever, in een emotionele toestand) instemt met een opzegging of beëindigingsovereenkomst, terwijl hij onvoldoende heeft kunnen overzien welke gevolgen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst voor hem heeft (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 56).

4.6.

Tussen partijen staat vast dat de vaststellingsovereenkomst op 28 april 2026 door partijen is ondertekend (ondanks dat bovenaan de vaststellingsovereenkomst 12 februari 2026 als datum is vermeld) en dat in de vaststellingsovereenkomst een bedenktermijn van 61 dagen is opgenomen. Op 9 juni 2026, binnen de bedenktermijn van 61 dagen, stuurt de voormalig gemachtigde van [eiser] een brief naar IPV waarmee zij namens [eiser] terugkomt op de getekende vaststellingsovereenkomst en dat [eiser] zich beschikbaar houdt en heeft gehouden voor werk. Gelet daarop en de door partijen overeengekomen (ruimere dan de wettelijke) bedenktermijn van 61 dagen heeft [eiser] tijdig haar recht ingeroepen om de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. Dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst is ontbonden en tussen partijen (nog) sprake is van een arbeidsovereenkomst.

4.7.

Nu de vaststellingsovereenkomst binnen de bedenktermijn is ontbonden behoeft geen bespreking meer of sprake was van wilsovereenstemming bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst of dat de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling kan worden vernietigd. Evenmin is van belang de reden waarom de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is aangegaan.

[eiser] is arbeidsgeschikt

4.8.

Vervolgens is de vraag of [eiser] arbeidsgeschikt of -ongeschikt is voor het verrichten van haar werkzaamheden. Vast staat dat [eiser] zich op 9 april 2026 tot een Duitse bedrijfsarts heeft gewend en zij zich op 10 april 2026 heeft ziekgemeld bij IPV. Uit de overgelegde verklaring van de Duitse bedrijfsarts blijkt dat [eiser] vanaf 10 april 2026 arbeidsongeschikt was en dat zij naar verwachting op 24 april 2026 weer in staat was om te werken. Verder staat vast dat [eiser] na de Duitse bedrijfsarts geen (Nederlandse) bedrijfsarts meer heeft bezocht, al dan niet op verlangen van IPV. IPV voert aan dat zij geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld, omdat [eiser] door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst uit dienst was en dat zij volgens de verklaring van de bedrijfsarts kort na haar ziekmelding, op 24 april 2026, ook weer arbeidsgeschikt zou zijn. Zij zag daarom geen aanleiding om een bedrijfsarts in te schakelen.

4.9.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] vanaf 24 april 2026 weer arbeidsgeschikt was. Uit de verklaring van de Duitse bedrijfsarts blijkt dat [eiser] vanaf dat moment naar verwachting weer in staat was om te werken. Verdere feiten en omstandigheden waaruit moet blijken dat dit niet het geval is, zijn gesteld nog gebleken. De arbeidsovereenkomst duurt nog altijd voort en [eiser] is arbeidsgeschikt. Dat betekent dat IPV [eiser] moet toelaten tot haar werkzaamheden.

Loonbetaling

4.10.

Tussen partijen staat vast dat IPV in ieder geval salaris heeft betaald aan [eiser] tot en met loonperiode 4 (23 maart tot en met 19 april 2026). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat zij daarna geen salaris meer ontvangen en dat is door IPV niet weersproken. Van 20 april tot en met 23 april 2026 was [eiser] arbeidsongeschikt. Gedurende de arbeidsongeschiktheid heeft [eiser] recht op doorbetaling van het overeengekomen loon (artikel 7:629 lid 1 BW, artikel 7.2 arbeidsovereenkomst en artikel 29 CAO). Over deze vier dagen moet IPV dus (nog) het volledige loon aan [eiser] betalen.

4.11.

Zoals in r.o. 4.8. en 4.9. is geoordeeld was het aannemelijk dat [eiser] vanaf 24 april 2026 weer arbeidsgeschikt was. Vast staat dat [eiser] vanaf dat moment niet heeft gewerkt. De vraag is of [eiser] vanaf dat moment recht heeft op loonbetaling en voor wiens rekening en risico het niet werken van [eiser] komt.

Bij brief van 9 juni 2026 van de gemachtigde van [eiser] stelt [eiser] zich beschikbaar voor werk. Het is dan aan IPV als werkgever om [eiser] weer op te roepen voor werk. Dat heeft zij niet gedaan. Zij voert daartoe aan dat zij een week na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst een gesprek heeft gehad met [eiser]. Daarin heeft [eiser] aan haar medegedeeld dat zij tijdelijk een pauze neemt en pas in augustus 2026 weer aan het werk wil. Mocht IPV [eiser] niet terug in dienst nemen, dan had zij al een aanbod van een collega uitzendbureau. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft IPV twee verklaringen van medewerkers, [persoon 2] en [persoon 3], overgelegd. Zij waren bij dit gesprek aanwezig als tolk. [eiser] betwist dat zij heeft aangegeven dat zij in augustus pas weer zou willen gaan en dat zij een aanbod van een collega uitzendbureau heeft ontvangen. Daarnaast zijn de verklaringen onduidelijk; ze zijn niet gedateerd, er staan geen originele handtekeningen op en ten aanzien van de getuige [persoon 2] wordt betwijfeld of zij wel Roemeens spreekt.

4.12.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] gemotiveerd heeft weersproken dat zij in augustus 2026 pas weer beschikbaar zou zijn voor werk. In deze procedure is geen plaats voor nadere bewijslevering. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] pas in augustus 2026 weer aan het werk wilde. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] vanaf 9 juni 2026 weer beschikbaar was voor werk. Op IPV als werkgever rust dan de verplichting om haar op te roepen voor werk. Dat zij dat niet heeft gedaan komt voor haar rekening en risico. Dat betekent dat IPV vanaf dat moment weer loon moet betalen aan [eiser]. Loonperiode 7 (15 juni tot en met 12 juli 2026) ligt net na 9 juni 2026. De kantonrechter sluit daarom aan bij deze loonperiode als startdatum voor de loonbetalingsverplichting vanIPV.

4.13.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] een bedrag van € 2.702,67 bruto (inclusief 8% vakantiegeld) per 4 weken aan loon ontvangt. Over de periode 20 april tot en met 23 april 2026 wijst de kantonrechter een bedrag toe van € 386,10 bruto (€ 2.702,67: 28 dagen x 4 dagen). Daarnaast wijst de kantonrechter een bedrag toe van € 5.405,34 bruto (loonperiode 7 en 8, € 2.702,67 x 2) aan achterstallig loon toe. Ook het gevorderde loon vanaf loonperiode 9, inclusief het verstrekken van loonstroken, zoals geformuleerd in r.o. 3.1. onder 5, wijst de kantonrechter toe.

Loonstroken

4.14.

[eiser] vordert afgifte van diverse loonstroken van IPV op straffe van verbeurte van een dwangsom, zoals geformuleerd in r.o. 3.1. onder 3. De kantonrechter wijst deze vordering af, behoudens het verstrekken van de loonstroken over de loonperiode 5, 7 en 8, omdat hiervoor over deze periodes (gedeeltelijk) loon is toegewezen. Op grond van de wet rust op IPV de verplichting om de loonstroken aan [eiser] te verstrekken, maar niet aannemelijk is geworden dat zij niet aan deze verplichting heeft voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij aangevoerd dat de loonstroken iedere vier weken aan de medewerkers in een enveloppe fysiek worden meegegeven, in dit geval ook aan [eiser]. IPV heeft daarmee voldoende weersproken dat de gevraagde loonstroken niet zijn verstrekt.

De wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten

4.15.

IPV heeft het (gedeeltelijke) loon over de periode 5, 7 en 8 te laat aan [eiser] betaald en daarom is zij op grond van artikel 7:625 BW de wettelijke verhoging verschuldigd. [eiser] maakt aanspraak op de volledige wettelijke verhoging van 50%. De kantonrechter acht het echter billijk om een wettelijke verhoging van 25% toe te kennen, gelet op de nalatige gedragingen van beide partijen. [eiser] heeft zich, nadat zij weer arbeidsgeschikt was, niet direct beschikbaar gesteld voor werk en ook daarna niet veelvuldig ingespannen om weer aan het werk te gaan. IPV heeft [eiser] niet opgeroepen voor werk nadat zij zich weer beschikbaar had gesteld voor werk. Een bedrag van € 2.895,72 wordt daarom toegewezen.

4.16.

Op grond van de wet moet IPV ook de wettelijke rente betalen over de bedragen die te laat zijn betaald (artikel 6:119 BW). De gevorderde wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging wordt daarom toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de datum van volledige betaling.

4.17.

Verder maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het toe te wijzen bedrag wordt, hoewel niet van toepassing, gebaseerd op de tarieven opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, omdat die tarieven geacht worden redelijk te zijn. Op basis van de toegewezen hoofdsom van € 8.687,16 en voornoemde tarieven wordt een bedrag van € 979,32 (inclusief btw, omdat [eiser] geen ondernemer is) aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding (10 augustus 2026).

Proceskosten

4.18.

IPV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat bij het wijzen van het vonnis nog niet duidelijk was of de toevoeging definitief is verleend, kan de kantonrechter niet zomaar afzien van het veroordelen van IPV tot betaling van de explootkosten van € 155,67 en het oorspronkelijke griffierecht van € 265,00. Als de toevoeging van [eiser] is geweigerd zal IPV deze kosten moeten betalen. Als de toevoeging definitief is verleend zal IPV de betekeningskosten niet hoeven te betalen en hoeft zijn slechts een verlaagd griffierecht van € 93,00 hoeven te betalen. Hieronder zullen de varianten worden uitgewerkt. In alle gevallen geldt dat het salaris gemachtigde wel wordt gehalveerd, omdat tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding ook het kort geding van de heer [partner eiser] (de partner van [eiser]) tegen IPV (zaaknummer: 12333239) is behandeld en de dagvaardingen in beide zaken vrijwel identiek zijn.

4.19.

Als de toevoeging van [eiser] is geweigerd, worden de proceskosten van [eiser] begroot op:

- griffierecht€265,00
- explootkosten€155,67
- salaris gemachtigde€432,50
- nakosten€144,00
Totaal€997,17
4.20.

Als de toevoeging van [eiser] definitief is toegekend, worden de proceskosten van [eiser] begroot op:

- griffierecht€93,00
- salaris gemachtigde€432,50
- nakosten€144,00
Totaal€669,50
4.21.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt IPV om [eiser] toe te laten tot de werkzaamheden,

5.2.

veroordeelt IPV om aan [eiser] te betalen:

  • een bedrag van € 5.791,44 bruto aan achterstallig salaris, voorzien van deugdelijke loonspecificaties;
  • een bedrag van € 2.895,72 bruto aan wettelijke verhoging;
  • een bedrag van € 979,32 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • e wettelijke rente over voormelden bedragen als bedoeld in artikel 6:119 BW, over de bedragen genoemd onder a. en b. vanaf de datum van opeisbaarheid, tot de dag van volledige betaling, en over het bedrag genoemd onder c. vanaf 10 augustus 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.3.

veroordeelt IPV om aan [eiser] te betalen de 4-wekelijkse betalingsperiode van

€ 2.702,67 bruto, met ingang van betalingsperiode 9, voorzien van een deugdelijke loonspecificatie,

5.4.

veroordeelt IPV in de proceskosten van € 669,50 bij definitieve toekenning van de toevoeging, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.5.

veroordeelt IPV in de proceskosten van € 997,17 bij weigering van de toevoeging, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en veroordeelt IPV tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

veroordeelt IPV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

47414 \ 53854

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.